Get Adobe Flash player
Get Adobe Flash player


IV. De komst van het koninkrijk: Jezus' machtsdaden


Tussen de bergrede en de zendingsrede heeft de evangelist een reeks wonderverhalen ingelast (hoofdstuk 8 en 9). Na het verhaal over de 'messias van het woord' beschrijven ze het werk van de 'messias van de daad'. Ze beschrijven de tekenen van wat er gebeurt als Gods koninkrijk begint door te breken. Ze zijn ingedeeld in drie blokjes. Tussen de blokjes in komt Jezus weer kort aan het woord.


§ 1. In Mt staan 20 wonderverhalen, waarvan er 3 behoren tot de eigen traditie. De helft van de verhalen is bijeengebracht in de blokjes waarover sprake. In het lectionarium van de zondagen is maar één verhaal opgenomen: Petrus wandelt over het water (14,22-33 - evangelie 19de zondag).


1.1. De eerste drie verhalen vertellen dat in de gemeente van Jezus' volgelingen ook de mensen worden opgenomen die in de joodse gemeente waren uitgesloten: melaatsen, 'heidenen' (de knecht van de Romeinse centurio), en vrouwen die werden geringschat (de schoonmoeder van Petrus).


1.1.1. Van de genezen vrouw wordt gezegd: "Ze stond op en begon voor hem te zorgen" (8,15). 'Opstaan' is in het christelijk woordgebruik de technische term om over de verrijzenis te spreken. Dat ze voor Jezus zorgde wil zoveel zeggen als dat ze leerling van Jezus werd (Charlier, p. 51).


1.2. Het verhaal over het bedaren van de storm op het meer (8,23-27) verdient aparte aandacht. Matteüs heeft hier dat van Marcus (4,35-51) naar zijn hand gezet in dienst van zijn eigen opzet. Dat blijkt duidelijk uit een korte vergelijking.

In Mc zijn het de leerlingen die in de boot stappen en Jezus mee nemen. Mt laat Jezus het initiatief nemen. "Zijn leerlingen volgden hem." Als de storm opsteekt, zijn het niet de leerlingen die gevaar lopen, het is de boot. Het is ook niet gewoon een storm, maar een beving. Schriftkenners lezen hier een verwijzing naar de rampen aan het nabije einde der tijden (zie 24,7). De hele kerk verkeert in gevaar. Anders dan in Mc berispt Jezus zijn leerlingen niet nadat maar voordat hij de storm heeft doen bedaren. Hij verwijt hen dat ze 'kleingelovig' zijn. Dit is een woord dat de evangelist gaarne gebruikt: 6 keren, bij de andere evangelisten samen maar één keer. Het heeft de betekenis van een wankelend geloof dat niet bestand is tegen beproevingen.

In Mt zijn het niet de leerlingen maar "de mensen" die vol verbazing reageren. Wie is toch die Jezus in wie de christenen geloven en die de stormen bedaart waardoor hun gemeenschap wordt geteisterd?


1.2.1. 'Kleingelovig' is ook het verwijt dat Petrus te horen krijgt als hij, in het verhaal over Jezus die over het water van het meer loopt, hem tegemoet loopt en dreigt te verdrinken (14,31 - evangelie 19de zondag). De evangelist heeft dit stukje over Petrus aan het verhaal van Mc 6,45-52 toegevoegd. Over diep water lopen betekent in de bijbel macht doen gelden over de kwade monsters die in de diepte huizen.

Zo moet men ook begrijpen wat Jezus beloofde toen hij zijn eerste leerlingen riep: "Ik zal van jullie vissers van mensen maken" (4,19 - evangelie 3de zondag). Ze zouden de macht krijgen om mensen uit de afgrond van het kwaad op te trekken.

In Mc staat het verhaal na dat van het broodwonder en wordt het afgesloten met de bemerking dat de leerlingen "niet tot inzicht waren gekomen door wat er met de broden was gebeurd". Men kan dit zo lezen: de christenen die de evangelist op het oog heeft, hebben het moeilijk om de verrezen Heer te ontmoeten in het eucharistisch brood. Hij schijnt afwezig te zijn. Nochtans is hij er wel degelijk, maar op een transcendente, goddelijke manier, alleen maar waarneembaar voor wie echt gelooft (Charlier, p. 168).

Mt heeft een heel ander besluit. Toen Jezus en Petrus in de boot waren gestapt en het water weer kalm was en Jezus, "bogen de anderen zich voor hem neer en zeiden: u bent werkelijk Gods Zoon!" Jezus 'bewijst' wie hij is door wat hij doet, en zijn leerlingen spreken hun geloof uit. Petrus zal dit later in plechtige termen herhalen als hij antwoordt op Jezus' vraag wie hij volgens zijn leerlingen is (16,16).


1.3. Het verhaal uit de eigen traditie van Mt over de vangst van een vis met een muntstuk in zijn bek (17,24-27) roept moeilijke vragen op. Het weerspiegelt de situatie van de Matteüsgemeente. Na de verwoesting van de tempel in het jaar 70 hielden de Romeinen de tempelbelasting in stand, ze beslisten dat ze moest afgedragen worden voor het onderhoud van een tempel in Rome. In de vroege joods-christelijke gemeenten bestond daarover onenigheid. De evangelist projecteert het probleem in het leven van Jezus. Als men aan Petrus vraagt of zijn meester de belasting dan niet betaalt, antwoordt hij dat hij dit wel degelijk doet. Hoe is dit in overeenstemming te brengen met wat we lezen in 22,21: zijn beroemde ontwijkend antwoord op de vraag of het toegestaan is aan de keizer belasting te betalen. Men moet aan de keizer geven wat van de keizer is en aan God wat God toekomt, en zelf uitmaken wat aan wie toekomt. Kiest Jezus volgens Petrus wel positie? En wat kan Matteüs bedoeld hebben met de wonderbare visvangst?

In het vraaggesprek met Petrus geeft Jezus de reden aan waarom hij en zijn leerlingen de belasting betalen. Wereldlijke heersers leggen hun eigen kinderen geen belastingen op. Jezus is de Zoon van God en zijn volgelingen kinderen van God, dus zeker vrijgesteld van de belasting voor het onderhoud van Gods huis, de tempel. Maar om niemand voor het hoofd te stoten, maken ze geen gebruik van die vrijstelling. En Jezus zorgt op wonderbare wijze voor het nodige geld. Hiermee geeft Matteüs een duidelijke vingerwijzing aan zijn gemeente. Laten zij die zich terecht beroepen op hun vrijheid rekening houden met hen die eigen redenen hebben om er anders over te denken. Je moet bereid zijn van je recht afstand te doen om anderen niet in verwarring te brengen (zie Van Segbroeck, p. 33).

Men kan dit vergelijken met wat Paulus schrijft over het eten van heidens offervlees. Christenen hoeven daar geen probleem van te maken, maar er zijn er met een zwak geweten die het wel doen. "Let erop dat de vrijheid die u hebt geen struikelblok wordt voor de zwakken onder u... Als ik dus door vlees te eten mijn broeder of zuster ten val breng, wil ik het nooit of te nimmer meer eten" (1 Korintiërs 8,9.13).


V. Het Jezusbeeld


In verschillende wonderverhalen wordt Jezus aangesproken met een titel of erenaam en past hij ook op zichzelf een titel toe. De evangelist is kwistig met titels voor Jezus. Ze dienen om aan zijn lezers duidelijk te maken hoe ze Jezus' identiteit moeten opvatten. Het is leerzaam de voornaamste titels even de revue te laten passeren om zicht te krijgen op het Jezusbeeld van Matteüs.


§ 1. Door geboorte is Jezus zoon van David: de messias (Christus) waar het joodse volk op hoopte, maar hij beantwoordt niet aan de politieke verwachtingen die aan die naam werden gekoppeld. Als 'zoon van David' wordt hij, vaak in combinatie met de titel 'heer', aangesproken in een aantal verhalen van een genezing, bijna altijd van blindheid. Van Oyen (in Van Segbroeck, p. 79) onderkent hierin een duidelijke symboliek. De zoon van David bevrijdt van lichamelijke en geestelijke blindheid, terwijl de Farizeeën en de schriftgeleerden blind blijven (23,16 v.). Als 'zoon van David' wordt hij door de menigte toegejuicht bij zijn intocht in Jeruzalem. Hij komt 'in de naam van de Heer' (21,9). Maar aan de Farizeeën maakt hij duidelijk dat hij niet alleen de messias voor de joden is, maar voor alle volkeren van de wereld. Hij is m‚‚r en anders dan 'zoon van David'. De Farizeeën kunnen of willen het niet begrijpen (22,42-46).

'Heer' wordt Jezus niet alleen genoemd door mensen in nood die op hem een beroep doen (ook door de leerlingen in de boot op het woelige meer). Zijn leerlingen spreken hem dikwijls aan als 'heer', te begrijpen als titel voor een hooggeplaatste persoon (in het Frans zegt men dan niet gewoon monsieur maar monseigneur). Uiteraard is 'heer' de gebruikelijke aanspreektitel voor God. Speelt de uitzonderlijke relatie van Jezus tot God mee als hij 'heer' wordt genoemd? Waarschijnlijk niet, zeggen Schriftkenners. De geëigende titel om dit uit te drukken is 'Zoon van God'.


§ 2. 'Zoon van God' geeft de verticale dimensie van Jezus' identiteit aan, zijn eigenlijke identiteit waarin alle andere titels culmineren. Dat lezen we in de nadrukkelijke verklaring van zijn leerlingen (14,33) en in het bijzonder van Petrus (16,16). De messias is de zoon van de levende God. Herhaaldelijk noemt ook Jezus zelf zich de zoon, door te spreken over of tot zijn Vader. Een sleuteltekst (uit de tweevoudige traditie) is zijn lofprijzing van de Vader (11,25-27 - evangelie 14de zondag). Door hem heeft de Vader 'deze dingen', d.w.z. zijn wonderwerken, aan eenvoudige mensen onthuld, terwijl 'wijzen en verstandigen' ze niet herkennen en er aanstoot aan nemen. Hij alleen weet wie de Vader is. Alles is hem door zijn Vader toevertrouwd en hij openbaart het aan wie hij wil.

Dit is een zeer duidelijk voorbeeld van de 'hoge christologie' in Mt die typisch is voor het Johannesevangelie. Zie in dat evangelie bv. 17,2-8.

In Mt wordt Jezus ook als knecht van God voorgesteld, in de vorm van twee vervullingcitaten uit Jesaja. Aldus in 8,27, na een samenvatting van genezingen en uitdrijvingen van kwade geesten. "Hij was het die onze ziekten droeg en ons lijden op zich nam" (Jesaja 53,4). In 12,18-21 wordt hij met een verwijzing naar Jesaja 42,1-4 Gods uitverkoren en geliefde knecht genoemd, die uit kracht van Gods geest aan alle volkeren het recht zal doen kennen.


§ 3. 'Mensenzoon' is een benaming die alleen door Jezus zelf wordt gebruikt, maar (zoals in Mc) spreekt hij er altijd over in de derde persoon. Nergens zegt hij (behalve soms onrechtstreeks: zie o.m. 12,8; 16,15) dat hij de mensenzoon is.

Het meest opvallende in Mt, vergeleken met zijn bronnen, is de herhaalde aankondiging van de machtige verschijning van de mensenzoon aan het einde der tijden. Hij zal komen als de finale en universele rechter (zeer duidelijk in 25,31-46 - evangelie 34ste zondag).

Maar er ligt ook een klemtoon op de mens die Jezus als mensenzoon is. Hij leidt het leven van een zwerver die zijn hoofd nergens kan te rusten kan leggen (8,20). Hij wordt door zijn tegenstanders versleten voor en veelvraat en dronkaard die omgaat en tollenaars en zondaars (11,19). Herhaaldelijk waarschuwt Jezus zijn leerlingen dat de mensenzoon zal moeten lijden en sterven, maar uit de dood zal worden opgewekt. In 16,13-21 heeft Petrus nog maar net verklaard dat de mensenzoon de Zoon van God is, als hij en de andere leerlingen te horen krijgen wat de mensenzoon te wachten staat. Petrus protesteert daartegen, maar wordt bijzonder streng terechtgewezen.

Zo kunnen we zeggen dat de titel 'mensenzoon' het hele evangelie omspant: van Jezus' zwerversleven over zijn vervolging en dood en zijn opstanding en verheerlijking, tot zijn terugkomst als rechter aan het einde der tijden (Van Oyen, p. 77).


VI. De boodschappers van het koninkrijk


Na de eerste reeks wonderverhalen vertelt de evangelist over een schriftgeleerde en een leerling die zich bereid verklaarden om Jezus te volgen (8,19-22). 'Volgen' was een technische term voor de status van leerlingen in een rabbijnenschool: ze volgden hun rabbi op een eerbiedige afstand. In de evangelies zijn het potentiële leerlingen die zich kandidaat stellen, maar (met uitzondering van de schriftgeleerde over wie het hier gaat) Jezus zelf die ze roept. Zo recruteerde hij zijn eerste leerlingen (4,18-22) en later ook de tolbeambte Matteüs (9,9). Zonder enige vraag of bedenking lieten ze alles achter en gingen met hem mee. Hier waarschuwt hij de schriftgeleerde voor wat hem te wachten staat als hij hem wil volgen en wijst hij de voorwaarde die de leerling stelt kordaat af. Ook in de instructies die hij zijn apostelen geeft als hij ze uitzendt, krijgen ze uitvoerig te horen wat hun allemaal te wachten staat (10,5-42: de 'zendingsrede').


§ 1. "Laat de doden hun doden begraven." Het klinkt ondraaglijk hardvochtig. (De parallelle tekst in Lc wordt gelezen in het evangelie voor de 13de zondag van het C-jaar.) Men heeft op veel manieren geprobeerd deze uitspraak verteerbaar te maken. Sommigen verwijzen naar de joodse wet die voorschreef doden, a fortiori dode verwanten, ter aarde te bestellen. Zou Jezus dan niet bedoeld kunnen hebben: laat die wet voor wat ze is en kom mee met mij? Maar dat klopt niet met zijn houding tegenover de wet in Mt. Een andere interpretatie steunt op de verwachting van het nabije einde der tijden volgens Mt (zie bv. 10,23). Dan zou de uitspraak betekenen: er is haast gemoeid met de zending van Jezus' leerlingen, ze hebben gewoon geen tijd voor een begrafenisritueel dat een hele week in beslag neemt. Maar dit lijkt nogal vergezocht en ook te gemakkelijk.

Eigenlijk kan men het houden bij een uitleg die voor de hand lijkt te liggen als men de uitspraak leest in het licht van de andere roepingsverhalen. Je kunt Jezus maar volgen als je ook je familiebanden loslaat. Je treedt toe tot een nieuwe gemeenschap.

Het onmiddellijk volgende verhaal van de storm op het meer beschrijft een voorbeeld van wat de gemeenschap van Jezus' leerlingen te verduren zal krijgen. Maar als hun geloof sterk genoeg is, gaan ze in dreigende gevaar niet ten onder. Het wijst er ook nog eens op dat men moet weten waaraan men begint als men beslist Jezus te volgen (Seethaler, p. 32).


§ 2. Matteüs heeft zijn versie van de 'zendingsrede' samengesteld uit het materiaal van zijn bronnen, het naar zijn hand gezet en er eigen materiaal aan toegevoegd. Zo heeft hij de strekking ervan sterk verbreed.


2.1. De zendelingen krijgen dezelfde macht als die van Jezus: onreine geesten uitdrijven en iedere ziekte en elke kwaal genezen. Ze hebben dezelfde opdracht: de nabijheid van het koninkrijk verkondigen. Hun zending blijft beperkt tot joodse volksgenoten. Van meet af aan is het perspectief van de eindtijd aanwezig. In de bijbel zijn de oogst en de oogst binnenhalen klassieke beelden van het eindoordeel (9,36-10,8 - evangelie 11de zondag). Kennelijk is de zending ook in de tijd beperkt. De apostelen moeten geen geld meenemen, geen reistas voor onderweg en geen extra kleren.


2.2. Maar dan wordt de zending verbreed. De instructies en uitspraken die de evangelist Jezus in de mond legt, worden veel algemener. Hij bedoelt ze klaarblijkelijk als een beschrijving van de situatie van de vroege kerk na Pasen en als een bemoediging. Ze valt ten prooi aan vervolging, ze krijgt af te rekenen met scherpe interne tegenstellingen, tussen broers onderling en tussen ouders en kinderen, maar wie zich niet laat afschrikken en trouw blijft tot het einde, zal gered worden. In 10,26-33 (evangelie 12de zondag) wordt de zendelingen op het hart gedrukt dat ze niet bang moeten zijn voor de mensen die alleen hun lichaam kunnen raken maar niet hun ziel. Ziel en lichaam in het verderf storten kan alleen God. Maar elk van hen is meer waard dan een hele zwerm mussen en elk haar op zijn hoofd is geteld. Ze moeten durven rekenen op Gods liefdevolle zorg.

Dat de evangelist Jezus hier de kerk laat toespreken blijkt wellicht het duidelijkst uit het feit dat hij, anders dan zijn bronnen, niet zegt dat de zendelingen vertrekken en het ook niet heeft over hun terugkeer. Hij trekt het perspectief ook verder open naar de kerk en de christenen in elke tijd. Hij last tekstmateriaal in dat in zijn bron (de tweevoudige traditie) niet in verband staat met zending of zendelingen. Zo o.m. in 10,37-42 (evangelie 13de zondag). Het slot van zijn evangelie beschrijft de universele zendingsopdracht en koppelt dit terug naar het begin van Mt. (28,16-20 - evangelie Hemelvaartdag en Drievuldigheidszondag B-jaar). Na zijn opstanding verschijnt Jezus in het 'Galilea der heidenen' (4,15) op een berg aan zijn leerlingen. "Mij is alle macht gegeven", zegt hij. Dit doet denken aan de berg in het bekoringsverhaal, waar de duivel aan Jezus alle koninkrijken van de wereld belooft en Jezus hem wegjaagt (4,8-10). Nu heeft hij die macht van God gekregen. De elf leerlingen krijgen de opdracht alle volkeren tot zijn leerlingen te maken en hun het koninkrijk van de overvloedige gerechtigheid te verkondigen. De belofte dat hij met hen zal zijn tot de voleinding van de tijd, maakt de naam van Jezus waar: Immanuël, God met ons (1,23).


VII. De geheimen van het koninkrijk


Het hoofdstuk waarin Matteüs zeven parabels groepeert, wordt door sommige commentaren beschouwd als de scharnier waaraan hij het hele evangelie heeft vastgehecht. In het eerste deel (na de ouverture) wordt beschreven hoe het optreden van Jezus na de successen van de begintijd in Galilea op reacties van ongeloof, afwijzing en vijandigheid stuit. De leerlingen van Johannes de Doper weten niet waar ze Jezus moeten plaatsen (11,18v.), de dorpen rond het meer van Galilea komen niet tot inkeer (11,20-24), de Farizeeën worden zo boos dat ze besluiten Jezus uit de weg te ruimen (12,14). Zelfs zijn eigen familie distantieert zich van hem, en Jezus van zijn familie (12,46-50). Het tweede deel bestrijkt het tijdsverloop na de mislukking in Galilea. Jezus vangt zijn reistocht naar Jeruzalem aan, hij komt in 'heidens' gebied, hij spreekt nog zelden tot de menigte en trekt zich vaak met zijn leerlingen in afzondering terug. In Jeruzalem gebeurt de ultieme confrontatie met de joodse autoriteiten en de ontknoping van het drama: kruisdood en opstanding uit de dood.

De 'parabelrede' (hoofdstuk 13) vervult haar scharnierfunctie op twee manieren. De parabels verbeelden de situatie waarin de verkondiging van Gods koninkrijk gebeurt en de verschillende reacties daarop. En in Jezus' uitleg van de parabels aan zijn leerlingen trekt hij conclusies uit de mislukking van zijn zending in Galilea. Daarin vinden we ook de eigen parabeltheologie van Matteüs.

Een tweede reeks van nog eens vijf parabels heeft de evangelist ondergebracht in de 'eschatologische rede'. Ze spelen daarin een eigen rol.


§ 1. Aan de parabels die hij vond in zijn bronnen heeft Matteüs er in hoofdstuk 13 vier uit zijn eigen traditie toegevoegd. Ze versterken de functie die hij aan de hele reeks heeft gegeven.


1.1. De eerste en meest bekende parabel van de reeks is die van de zaaier en het zaad (13,1-23 - evangelie 15de zondag). Jezus zelf heeft hem aan zijn leerlingen uitgelegd. Een parabel is in nogal wat gevallen een verhaal dat de toehoorders de wenkbrauwen doet fronsen omdat er iets ongewoons, zelfs onwaarschijnlijks in gebeurt. Kende de zaaier zijn stiel wel, of is hij niet erg slordig te werk gegaan? Anders had hij er zeker voor gezorgd dat het kostbare zaad niet op de weg terecht kwam, op rotsgrond en tussen distels. Maar zo is het gebeurd met het goede zaad van de verkondiging van Gods koninkrijk. Er waren mensen die het woord van het koninkrijk wel hoorden, maar niet echt luisterden. Anderen ontvingen het met vreugde, maar vergaten het vlug. Bij nog anderen heeft het woord al evenmin effect omdat ze meer belang hechten aan de zorg van het dagelijks bestaan en niet bestand zijn tegen de verleiding van de rijkdom.

Het slot van het verhaal is een evidentie. Alleen het zaad dat in goede aarde was gezaaid leverde vruchten op. Alleen mensen die het woord niet alleen gehoord hebben maar ook begrepen, blijven er gevolg aan geven. Het brengt in hun leven overvloedige vruchten voort.


1.2. In de uitleg van de parabel die hij Jezus aan zijn leerlingen laat geven, lezen we de eigen parabeltheorie van Matteüs. De verschillen met zijn bron (Mc 4,10-14) lijken subtiel, maar ze zijn essentieel. De leerlingen vragen aan Jezus niet waarom hij nu in parabels spreekt, ze willen te weten komen waarom hij zo spreekt tot het volk. Ook in Jezus' antwoord zit een essentieel verschil. Jezus zegt niet opdat, maar omdat ze "ziende blind en horende doof zijn en niets begrijpen". Alleen aan de leerlingen is het gegeven de geheimen van het koninkrijk te kennen. Ze 'hebben' reeds, d.w.z. ze zijn bereid om te kijken en te luisteren, en daarom zullen ze nog meer krijgen, zelfs in overvloed. Maar wie niets heeft (niet luistert en begrijpt, zal zelfs het laatste nog kwijtspelen (13,12).

Deze uitspraak is een eigen leven gaan leiden onder de naam 'Matteüseffect': de mechanismen van de welvaartsverdeling hebben als feitelijk effect dat de rijken nog rijker worden en de armen nog armer. Maar dit verduistert helemaal de evangelische betekenis van de uitspraak. Het stemt beter overeen met de paradoxale wijsheid in het boek Spreuken (11,24). "Wie vrijgevig is, wordt almaar rijker, wie gierig is, wordt arm."

De evangelist trekt dus een scherpe scheidingslijn tussen de leerlingen en het volk. De leerlingen luisteren naar en begrijpen de parabels, dat zeggen ze zelf (13,51). Het volk luistert zonder te (willen) begrijpen, en luistert dan zelfs niet meer.

Vanwaar dit harde standpunt? Volgens veel commentaren heeft het te maken met de situatie van Matteüs' christelijke gemeente. Ze kreeg af te rekenen met de alsmaar sterkere weigering van veel joden om het evangelie te aanvaarden. Dat stelde haar voor een levensgroot probleem. Hoe komt het toch dat het volk van Gods belofte, geen gehoor gaf aan de boodschap en de tekenen van haar vervulling? En sterker nog: hoe kan men 'heidenen' warm maken voor het evangelie als de joden, voor wie het in de eerste plaats bestemd is, er al niet willen van weten?

Matteüs haalt het antwoord uit een profetie van Jesaja. Ze willen niets horen en niets zien en met hun hart niets begrijpen.


1.3. Jezus vertelt verder nog maar één parabel en twee korte gelijkenissen aan het volk. De laatste drie (eigen aan Mt) bestemt hij voor de leerlingen. Ook verderop in het evangelie hebben de parabels een beperkt doelpubliek: meestal de leerlingen en enkele keren de Farizeeën (zie de volgende paragrafen).

De parabel van het onkruid tussen het graan (13,24-30 - evangelie 16de zondag) komt uit de eigen traditie van Mt. Opnieuw vragen de leerlingen uitleg. Opnieuw zit er een verrassing in het verhaal: de boer laat het onkruid samen met het graan opgroeien tot de oogst. Dan pas wordt het weggeplukt om verbrand te worden. Het verhaal heeft twee zwaartepunten. Het eerste: men moet geduld hebben met de 'kinderen van het kwaad', die trouwens niet heel duidelijk van de anderen te onderscheiden zijn. Het tweede: Er komt een eindoordeel, en dan gebeurt de scheiding met haar beloning en haar straf.


1.3.1. De gelijkenis van het sleepnet (13,47-50 - evangelie 17de zondag) heeft een zelfde strekking. Ze gaat over 'de voltooiing van deze wereld'.


1.3.2. De gelijkenissen van het mosterdzaadje en de zuurdesem (13, 31-33) spreken voor zich. Het koninkrijk van de hemel kent een bescheiden en onooglijk begin. Maar het breidt zich uit en het neemt zijn tijd. En ooit komt het tot volle wasdom. Voor Jezus' leerlingen zijn het bemoedigende gelijkenissen.


1.3.3. In de gelijkenissen van de verborgen schat en de kostbare parel (13,44-46 - evangelie 17de zondag) ligt een duidelijke vermaning besloten. Het volstaat niet de verborgen schat te ontdekken en de kostbare parel te vinden waar je naar op zoek bent. Je moet er alles voor over hebben om ze je toe te eigenen. Matteüs zegt tegen zijn lezers, ook zijn hedendaagse lezers: Als je alleen luistert, heb je de schat wel ontdekt en de parel gevonden, maar Jezus' leerling (christen) word je maar echt als je bereid bent omwille van die schat en die parel alles te verkopen.


§ 2. Drie parabels vertelt Jezus alleen aan de joodse autoriteiten, in het lange twistgesprek met hen in Jeruzalem (hoofdstukken 21-23). De eerste, het verhaal over de twee zonen (21,28-32 - evangelie 26ste zondag) is eigen aan Mt. In de andere twee heeft de evangelist kleine maar betekenisvolle wijzigingen aangebracht en eigen stukken toegevoegd: het verhaal over de boze wijnbouwers (21,33-44 - evangelie 27ste zondag) en dat over de onwillige bruiloftsgasten (22,1-14 - evangelie 28ste zondag).


2.1. De parabel van de twee zonen sluit aan bij een polemiek over Johannes de Doper. Jezus brengt de hogepriesters en de oudsten van het volk in verlegenheid met zijn vraag met welk gezag Johannes doopte. De parabel dwingt hen de vraag te beantwoorden.

De ja-zeggende zoon staat symbool voor de joodse autoriteiten. Ze hebben geen gehoor gegeven aan de oproep tot bekering van de Doper. Wat de neen-zeggende zoon betreft, worden ze gedwongen te bekennen dat deze de wil van zijn vader heeft gedaan, omdat hij tot inkeer is gekomen. En dan volgt Jezus' vlijmscherpe kritiek. De joodse leiders geloofden Johannes niet die naar hen toe kwam en 'de weg van de gerechtigheid koos'. De tollenaars en hoeren, aanvankelijke neen-zeggers, hebben zich bekeerd. Maar hoewel de joodse leiders dit zagen, bleven ze volharden in hun ongeloof. Ook Jezus en de vervulde gerechtigheid hebben ze afgewezen.

Ongetwijfeld had Matteüs niet alleen Jezus' tijdgenoten op het oog, maar ook zijn eigen tijdgenoten en al zijn latere lezers. "Het beeld van de tweede zoon, de nee-zegger die later tot inkeer komt, fungeert als het positieve beeld van de christen... Ook christenen kunnen immers hun aanvankelijk 'ja' door een zondige leefwijze ongedaan maken. Een mens kan ten kwade veranderen, maar ook ten goede. Hij kan zijn eerste reactie of zijn later ontrouw corrigeren. Geen zondaar hoeft de moed te verliezen" (J. Lambrecht, p. 100).


2.2. De volgende twee parabels verbreden en verscherpen de kritiek van de eerste. Ze treft niet alleen de joodse leiders, maar de joden in het algemeen. In het verhaal over de boze wijnbouwers worden ze afgeschilderd als profetendoders en vergrijpen ze zich ook aan de zoon, aan Jezus dus. In dat over de onwillige bruiloftsgasten zijn er genodigden (joden) die zich ook vergrijpen aan de christelijke missionarissen. Ook in de straf zit een stijgende lijn. Eerst: tollenaars en hoeren zullen eerder het koninkrijk binnengaan dan de joodse leiders. Vervolgens: de moordende wijnbouwers verdienen zelf omgebracht te worden. Ten derde: de koning laat de genodigden die weigerden te komen en zijn dienaren vermoordden, niet alleen ter dood brengen maar ook hun stad in brand steken (een duidelijke allusie op de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70).


2.3. De drie parabels geven samen een interpretatie van de hele geschiedenis van de voortdurende afwijzing van Gods aanbod van heil voor zijn volk door de leiders van dat volk en beschrijven de vreselijke gevolgen die daaruit voortkomen. Tegelijk houden ze een waarschuwing in aan het adres van het 'nieuwe volk'. Zorg ervoor dat u niet in dezelfde fouten vervalt! (H. Hoet, in Van Segbroeck, p. 61 v.)

"Het koninkrijk van God zal u worden ontnomen en gegeven worden aan een volk dat het wel vrucht laat dragen" (21,43). Over welk volk gaat het? Het zijn alle mensen, goede en (alleen in Mt) ook slechte, die de dienaren van de koning in de bruiloftszaal samenbrachten (22,10). Er staat niet dat er geen enkele jood bij was. Als (alleen in Mt) tijdens het feest even komt kijken, ziet hij iemand die geen feestkleren had aangetrokken en laat hem boeien en buitengooien. De evangelist verrast hier weer zijn lezers. Hoe konden de genodigden feestkleren dragen, ze waren toch van de straat gehaald en binnengebracht? Ze moeten dit verstaan als een waarschuwing. "Alleen wie het kleed van de goede werken en de voortgebrachte vruchten bezit, zal het Rijk der hemelen binnengaan. Onder de christenen... zijn er slechten zowel als goeden. De Kerk is een 'corpus mixtum'; het lichaam van de Kerk is een gemengde samenstelling. Matteüs spoort zijn medechristenen aan; hij vermaant ze; hij dreigt met het oordeel" (J. Lambrecht, p. 134).


2.4. Men heeft Mt het meest conservatieve joodse evangelie genoemd dat tegelijk het meest anti-farizees, volgens sommigen zelfs meest antijoods is. Over schriftgeleerden en Farizeeën staat in heel dit evangelie geen goed woord te lezen (ook de andere evangelisten zijn niet mals voor hen, maar zeggen dat niet zo scherp en even dikwijls). De scherpste verwijten lezen we in loop van het twistgesprek dat volgt op de drie parabels.

Eerst waarschuwt Jezus de menigte en zijn leerlingen voor de schriftgeleerden en Farizeeën (13, 1-12 - evangelie 31ste zondag). Het zijn huichelaars, ze zijn alleen uit op eer en aanzien, ze dragen zelf niet de lasten van de wetten die ze u opleggen. En dan komen de fameuze wee-spreuken aan hun adres. Jezus geeft een reeks voorbeelden die bewijzen dat ze huichelaars zijn. Hij noemt hen blinden en blinde gidsen. Hij beledigt hen in beeldrijke termen: witgepleisterde graven, slangen en adderengebroed.

H. Hoet (p. 58 v.) doet opmerken dat hypocrisie of schijnheiligheid twee vormen kan aannemen. Onder schijnheiligheid verstaan we meestal vroomheid die voorgewend wordt door mensen die goed weten dat ze de mensen bedriegen. Maar er bestaat ook een onbewuste hypocrisie, van mensen die menen op de goede weg te zijn maar zich vergissen. Ze doen de wil van God niet, maar zonder het te weten. Hen treft dus geen schuld. In de wee-spreuken worden ze blinden genoemd. De schriftgeleerden en Farizeeën zijn huichelaars in de twee betekenissen van het woord. Maar hen treft in de twee gevallen schuld. Ze zijn verblind in zover ze oprecht menen de wet te volgen zoals zij die verstaan en uitleggen, maar ze hadden beter moeten en kunnen weten. Ze zijn verantwoordelijk voor hun verkeerde uitleg van de wet. Hun schuld is des te groter omdat ze als blinde gidsen de mensen naar hun ongeluk leiden. Jezus heeft zijn leerlingen al eerder gewaarschuwd. "Wees terdege op je hoede voor de zuurdesem van de Farizeeën en Sadduceeën", dit wil zeggen voor hun onderricht (16,6.12). Wie opzettelijk huichelt, weet wat hij moet doen om zich te bekeren en zijn schijnheiligheid op te geven. Schriftgeleerden en Farizeeën blijven in hun schijnheiligheid volharden. Wie blind is, schijnheilig zonder het te willen of te weten, krijgt pas de kans om zich te bekeren als zijn blindheid wordt genezen. Daar is het Jezus volgens Mt met zijn waarschuwingen om te doen.


2.4.1. In de loop van de geschiedenis heeft men zich op Mt beroepen om een christelijk antisemitisme te motiveren. De joodse leiders en het volk dat zich heeft laten misleiden zijn uitgesloten van het goddelijk heil. Het volk waaraan in hun plaats het koninkrijk van God wordt gegeven is een nieuw volk: de christelijke kerk. In de verkondiging moet men zich inspannen om dit antisemitisch vooroordeel uit de wereld te helpen. Daarom is een historische situering van Mt en een voldoende exegetische uitleg van de betreffende passages uit dit evangelie voor predikanten eigenlijk een must.


VIII. De kinderen van het koninkrijk


Twee parabels zijn door Matteüs ingevoegd in de 'gemeenterede'. Ze illustreren elk een van de richtlijnen van Jezus aan zijn leerlingen. In die 'gemeenterede' heeft de auteur een aantal uitspraken van Jezus die hij in zijn bronnen op verschillende plaatsen vond, bijeengebracht en geordend. Zeker hier dient men de 'dubbele bodem' van Mt in gedachten te houden. De auteur wil zijn lezers informeren over het leven van Jezus en merkwaardige woorden en feiten meedelen. Maar als kind van zijn tijd wil hij tegelijk inspelen op de situatie en de problemen van zijn medechristenen. Zo is de aardse Jezus over wie hij bericht tegelijkertijd de verrezen Christus, de aanbeden Heer (J. Lambrecht, p. 46).

Het zijn altijd de leerlingen die worden toegesproken. Dus de kerkleiders. Maar zeker in bepaalde onderdelen wordt het perspectief opengetrokken naar de kerkleden. Mt is het enige evangelie waarin twee keren het woord 'kerk' wordt gebruikt. In de Griekse vertaling van het Oude Testament (de septuagint) betekent het de 'heilige vergadering' van het volk van God om hem vierend te eren. Liturgische bijeenkomst, zouden we kunnen zeggen.


§ 1. Het eerste thema dat door Jezus, op vraag van zijn leerlingen, wordt aangesneden betreft de orde van belangrijkheid van de kerkleiders (18,1-14). Het sleutelwoord in Jezus' antwoord is 'kind'. Het heeft twee betekenissen en aan elk van die betekenissen wordt een belangrijke vermaning vastgeknoopt.

Eerst gaat het om het kind dat Jezus in hun midden neerzet. Je komt niet binnen in het koninkrijk (je hoort niet thuis in de kerk), zegt hij, als je niet verandert en wordt als een kind. Veranderen wil zeggen: geen belang hechten aan status en positie, want in de kerk hebben die geen belang. Belangrijk is dat je wordt als kinderen. Een kind is klein voor God en rekent alleen op God. Het is klein voor de mensen: het geniet geen aanzien en is er ook niet op uit.

Matteüs zegt niet, zoals zijn bron, Mc 9,36, dat Jezus het kind omarmde. In Mt alvast is geen steun te vinden voor de voorstelling van Jezus als de lieve kindervriend in de volkse devotie (en van sommige predikanten). Voor wie goed leest geeft trouwens ook Mc zo'n voorstelling geen been om op te staan.

In 18,6 gaat het over de kinderen (NBV: 'geringen') 'die in mij geloven'. In de aansluitende parabel wordt verhelderd wie hiermee bedoeld zijn. Het zijn geen kinderen maar gelovigen die lijken op dolende schapen. Zulke gelovigen ergernis geven (NBV: 'van de goede weg afbrengen') is de zwaarst denkbare zonde en wordt navenant bestraft. Hoe zwaar die zonde is, wordt nog eens extra beklemtoond in de parenthese over het ergernisgevend gebruik van een hand, een voet of een oog.

Het 'eeuwigbrandend vuur' (NBV) is niet de hel (zoals in oudere vertalingen staat te lezen), maar de gehenna. Dat is een dal ten zuiden van Jeruzalem waar eertijds kinderen aan de afgod Moloch werden geofferd (zie 2 Koningen 23,10). Toen dit niet meer gebeurde, werden in dat dal lijken en allerlei soorten afval gedumpt en verbrand. Het kan nuttig zijn dat een predikant dit uitlegt waar het te pas komt.


1.1. De parabel van het verdoolde schaap wordt ingeleid met de vermaning dat men niemand van 'geringe gelovigen' mag misprijzen, want God wil niet dat ze verloren gaan. Het is duidelijk wat de evangelist met dit verhaal de kerkleiders wil inprenten. Verre van dwalende of afgedwaalde geloofsbroeders te minachten, moeten ze aan hen een bijzondere pastorale zorg besteden. Hun vreugde zal des te groter zijn als ze erin slagen zulke gelovigen weer op het rechte pad te brengen.


1.2. Een sleuteltekst in Mt i.v.m. de hiërarchie in de kerk is de bekende belijdenis van Petrus in 16,13-20 (evangelie 21ste zondag). Matteüs heeft aan zijn bron (Mc 8,27-30) de belofte aan Petrus toegevoegd (16,17-19). Geen andere tekst in het evangelie heeft in de loop van de geschiedenis heftiger controverses uitgelokt.

In de katholieke traditie heeft men Jezus' belofte begrepen als de stichtingsakte van de kerk en de aanstelling van Petrus als haar leider, de eerste paus. (Denk aan de inscriptie in de binnenkant van de koepel boven de Sint-Pietersbasiliek in Rome, gebouwd op de 'rots' van Petrus' graf.) Maar veruit de meeste, ook katholieke Schriftkenners zijn het er nu over eens dat Jezus zelf die belofte niet heeft uitgesproken. Ze is Jezus door de evangelist in de mond gelegd om als weergave van een traditie die op deze manier het leiderschap van Petrus in de jonge kerk heeft gerechtvaardigd. Petrus zou de meningsverschillen over de identiteit van Jezus die toen blijkbaar bestonden met een beroep op het gezag van God zelf (zie 18,17) beslecht hebben.

Petrus is de rots, niet als persoon, maar op grond van zijn geloof (M. Green, p. 179). In de epiloog van het Johannesevangelie (21,15-18) geeft de verrezen Christus die aan de leerlingen verscheen aan Petrus het herdersambt omdat deze drie gezegd heeft dat hij van hem hield.

De 'sleutelmacht' die aan Petrus wordt beloofd, wordt in de 'gemeenterede' (18,18) aan al de leerlingen is gegeven. 'Binden en ontbinden' was de macht van de joodse rabbi's om mensen in de gemeenschap (synagoge) op te nemen of ze uit te sluiten op basis van de wet, dus ook de macht om te verklaren hoe de wet moest begrepen worden. In 23,13 verwijt Jezus de schriftgeleerden en Farizeeën dat ze misbruik maken van hun macht. Ze wordt hun nu ontnomen en aan Petrus en de andere kerkleiders gegeven, op basis van hun geloof in Jezus als Zoon van de levende God en van wat ze van hem hebben geleerd. In het Johannesevangelie (20,23) definieert de verrezen Christus 'binden en ontbinden' ook als de macht om zonden al of niet te vergeven, uit kracht van de heilige Geest.


§ 2. De macht en vooral de opdracht van zondevergeving krijgt in de richtlijnen van Jezus aan de kerk de voornaamste klemtoon.


2.1. Eerst wordt omschreven hoe de 'sleutelmacht' in de praktijk met de nodige omzichtigheid moet worden toegepast (18,15-20 - evangelie 23ste zondag). De procedure die moet gevolgd worden is ontleend aan het joodse wetboek (Deuteronomium 19,15). Als er dan in een vergadering een beslissing valt, moet ze de vorm krijgen van een gebed. Ze wordt dan in de hemel bezegeld.

Jezus' belofte dat hij aanwezig komt waar twee of drie mensen in zijn naam samen zijn, staat hier in de context van deze richtlijn. Men mag ze daaruit loshaken zonder haar geweld te doen. Een voor de hand liggende toepassing is de eucharistieviering.

Gedurfd misschien, maar niet onterecht lijkt me de volgende verbreding. De verheerlijkte Christus komt niet alleen aanwezig in het eucharistisch brood en de geconsacreerde wijn, maar evenzeer in het midden van gelovigen die samenkomen om te bidden en die aanwezigheid zichtbaar maken in een materieel symbool.


2.2. Christenen moeten altijd ten telkens weer bereid zijn een broeder of zuster vergiffenis te schenken (18,21-35 - 24ste zondag). 'Zeventig maal zeven' is de evangelische repliek op de wraakzuchtige uitspraak van Lamech in de tijd van de bijbelse aartsvaders. "Wordt Ka‹n zeven keer gewroken, dan Lamech zeven en zeventig keer" (Genesis 4,24). Tegenover de mateloze wraak wordt de mateloze vergiffenis gestel.

De parabel van de hardvochtige dienaar (eigen aan Mt) beschrijft in krachtige beelden waarop de opdracht tot vergiffenis steunt. De schuld van mensen tegenover God is oneindig veel groter dan hun onderlinge schuld. Een talent had de waarde van 30 tot 40 kg zilver en tienduizend talent was dus een exorbitante som. Maar God is zo barmhartig dat hij die immense schuld wil kwijtschelden. De dienaar in het verhaal eiste van zijn collega de som die deze hem schuldig was terug: 100 maal een dagloon, en hij toonde geen medelijden. Normaal, zouden we zeggen: hij had er recht op. Maar hij had de spons over die schuld moeten vegen. Was hem niet een onmogelijk terug te betalen som kwijtgescholden?

Mensen moeten elkaar vergiffenis schenken omdat ze van God oneindig meer vergiffenis krijgen. Dat is anders dan het gebed van het onzevader dat vraagt: "Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij hebben vergeven wie ons iets schuldig was" (NBV). Teruggekoppeld naar de hardvochtige dienaar van de parabel: God vergeeft ons niet omdat we een medemens niet hebben vergeven, en hij zal ons straffen.

Het mag onderstreept worden dat we in het gebed van het onzevader een oordeel over onszelf uitspreken.


IX. De trouw aan het koninkrijk


Op veel plaatsen in Mt blijkt dat de auteur grote stukken van zijn evangelie heeft geschreven met in het achterhoofd de (nabije) voleinding van de geschiedenis en het definitieve oordeel dat dan zal plaatsvinden. Dat is bv. het geval met veel parabels, maar ook al aan het einde van de bergrede. Het volstaat niet 'Heer, Heer' te zeggen, je moet de wil van de Vader doen, want op grond daarvan zul je geoordeeld worden (7,21-23). Dit eindoordeel staat centraal in de zgn. parousierede. 'Parousia' betekent letterlijk 'aanwezigheid' en werd ook gebruikt voor het officiële bezoek van heersers. Het komt alleen voor in Mt, waar het de betekenis heeft van 'terugkeer'.

Algemeen wordt aangenomen dat Jezus niet zelf de 'parousierede' heeft uitgesproken. Matteüs heeft ze samengesteld uit tekstmateriaal van zijn bronnen (hoofdzakelijk Mc 13) en eigen materiaal. De terugkeer van de Mensenzoon bleef langer uit dan de christenen van de eerste generaties verwachtten. Matteüs wil hen waarschuwen. Wanneer de Mensenzoon komt, weet niemand (24,36), je moet dus ook niet speculeren over dag en uur. Zeker is dat hij zal komen, misschien spoedig (zie 24,34) en in elk geval onverwacht. Laat je niet verrassen, zorg dat je erop voorbereid bent! Die waarschuwing wordt als een refrein regelmatig terug en is ook het thema van de parabels in de 'parousierede'.


§ 1. De korte parabel van de goede en de slechte dienaar (24,45-51) is bedoeld voor de kerkleiders. De twee dienaars zijn aangesteld om in te staan de zorg voor het huispersoneel van de heer. De nadruk ligt op de zorgeloze heer die een liederlijk leven leidt omdat hij denkt dat zijn heer nog wel een tijdje zal wegblijven. Misschien waren er in de kerkgemeenschap van Matteüs zulke gezagdragers.


§ 2. Over de parabel van de bruidsmeisjes (25,10-13 - evangelie 32ste zondag), eigen aan Mt, moet eerst gezegd worden dat het verhaal erg onwaarschijnlijk klinkt (zie J. Lambrecht, p. 198 v.). Kan men zich voorstellen dat de meisjes, moe van het wachten op de bruidegom, aan de kant van de weg in slaap vielen? Hadden de wijze meisjes er al een vermoeden van dat de bruidegom zo lang zou wegblijven? Men kan zich ook moeilijk voorstellen dat er nachtwinkels in de buurt waren, waar de dwaze meisjes olie hadden kunnen kopen, en al evenmin dat de wijze harteloos weigerden hun extra olie met hun dwaze vriendinnen te delen. En hoe verklaart men dat de bruidegom de dwaze meisjes zo streng behandelt, aangezien hij toch zijn schuld was dat ze zo lang hadden moeten wachten? Maar het onwaarschijnlijke karakter van dit verhaal maakt des te duidelijker wat de evangelist ermee bedoelt.

Matteüs heeft de parabel geschreven (of een reeds bestaand verhaal aangepast) voor 'ingeslapen' christenen, die niet meer gespannen stonden op de parousie van de Mensenzoon. De olie van de wijze meisjes verbeeldt een dierbare gedachte van Matteüs: de 'goede werken' die christenen moeten verrichten. "Die olie staat voor wat een mens zich in de loop van zijn leven eigen heeft gemaakt, de verworvenheden van zijn ziel, de goede daden die hij deed" (N. ter Linden, p. 266). Ze heeft in het verhaal dezelfde functie als de feestkleren die de mensen moeten dragen als ze voor het bruiloftsfeest zijn uitgenodigd (zie boven, VII 2.3.). Waakzaamheid is niet alleen alert wachten. Je moet in de wachttijd de handen uit de mouwen steken.

2.1. De parabel van de talenten (25,30 - evangelie 33ste zondag) sluit hier direct bij aan. Niet zelden wordt hij door predikanten verkeerd uitgelegd. Je moet je talenten, d.i. je aangeboren eigenschappen, doen renderen, zegt men, terwijl het evangelie het heeft over een grote som geld. In de mist geraakt dan ook dikwijls dat het in het evangelie gaat over de eindafrekening als de eigenaar "na lange tijd" terugkeerde.

De eigenaar gaf het geld dat hij bezat aan zijn dienaren in beheer. Hij verwachtte dat ze er gedurende zijn lange afwezigheid niet alleen zorg zouden voor dragen maar er zouden mee werken. Waarin dat werk bestond, blijkt bij de afrekening: de dienaren waren 'aangesteld'. De parabel is een waarschuwing aan het adres van de leerlingen, d.i. de gezagdragers in de kerk. Zij die hun taak naar behoren hebben vervuld, zullen delen in de feestvreugde als het definitieve oordeel aan het einde van de tijd is uitgesproken. De derde dienaar krijgt het verwijt te horen dat hij lui (NBV: laf) is geweest. De heer laat hem buitengooien, in de uiterste duisternis. In de verantwoording van die straf ("want wie heeft...") lezen we nog eens de uitspraak die men het 'Matteüseffect' heeft genoemd (zie boven, VII 1.2.). Hier moet men ze begrijpen als een aansporing en een dreiging. Als je goed gewerkt hebt, word je overvloedig beloond. Maar er staat je een strenge straf te wachten als je lui bent geweest.


§ 3. De parousierede culmineert in de beschrijving van de terugkeer van de Mensenzoon als koning en zijn eindoordeel over alle volkeren (25,31-46 - evangelie 34ste zondag). Toen Jezus werd verhoord door Pilatus heeft hij niet neen gezegd op de vraag van de landvoogd of hij koning van de joden was (27,11). Volgens het Johannesevangelie (18,36 v.) heeft hij uitdrukkelijk ja gezegd en meteen verduidelijkt waarin zijn koningschap bestond. Hij was gekomen om te getuigen van de waarheid. Tot zijn rijk behoren alle mensen die de waarheid toegedaan zijn en naar hem luisteren. De kerkelijke liturgie steunt op de parousierede en viert hem als 'koning van het heelal' die zal terugkomen als universele rechter. Alle mensen zullen verzameld worden en voor de koninklijke rechter verschijnen, niet alleen de "uitverkorenen uit de vier windstreken" (24,31). Dus ook de 'heidenen', die buiten het christelijk geloof hebben geleefd. Ze zullen aan de kant van de schapen of van de bokken geplaatst worden op grond van hun ethisch of onethisch gedrag. Net hetzelfde zal gebeuren met de christenen. Het staat al in de bergrede: Alleen zij die gehandeld hebben naar de wil van de hemelse Vader zullen het koninkrijk binnengaan (7,21). Wat de doorslag zal geven is de naastenliefde metterdaad (de praktijk van de 'werken van barmhartigheid').

Het valt op dat van het koninkrijk wordt gezegd dat het al "sinds de grondvesting van de wereld" bestemd is voor de gezegenden van de Vader, maar niet van het eeuwig vuur" waarin de verdoemden zullen terechtkomen (25,34.41). "In Matteüs' opvatting lag de bestraffing blijkbaar niet in Gods oorspronkelijke bedoeling" (J. Lambrecht).

De grote verrassing van de mensen bij het oordeel zal zijn dat het de Mensenzoon zelf was toen ze "een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters" barmhartigheid hebben bewezen of eraan zijn voorbijgelopen (25,40.45). De Mensenzoon identificeert zich met de geringsten van zijn broeders en zusters, zoals Jezus tijdens zijn aardse leven zich het lot van de kleine, zwakke en hulpbehoevende mensen heeft aangetrokken. In het eindoordeel zal aan het licht komen dat hij juist daar aanwezig was waar iedereen hem afwezig waande (W. Weren, p. 183).

Het zou verkeerd zijn daaruit te besluiten - zoals soms gebeurt - dat de naastenliefde alleen authentiek is als ze beoefend wordt 'uit liefde tot God'. Je hoeft geen christen te zijn of in God te geloven om je in te zetten voor medemensen in nood. Volgens Mt zullen er ook ongelovigen zijn die aan de rechterzijde van de koninklijke rechter zullen mogen plaatsnemen.


§ 4. Preken over de evangelies betreffende het einde der tijden is geen sinecure. Misschien is het waar dat het zal verhaast worden door de ecologische rampen die op de aarde afkomen als we zo roekeloos met Gods schepping blijven omspringen. Maar dit heeft geen invloed op ons tijdsperspectief. Het reikt veel verder dan dat van Matteüs. Hoe kunnen christenen vandaag dan een boodschap hebben aan de evangelische waarschuwingen, dreigingen en beloften betreffende het einde der tijden?

Heel zinvol lijkt me het evangelie te laten spreken over het persoonlijk levenseinde. Dat ligt niet zo veraf en misschien komt het onverwacht. Spreekt de verheerlijkte Christus ook niet over ieder mens na zijn dood het definitieve oordeel uit? Wij doen dat over medemensen nadat ze gestorven zijn, en in veel gevallen klinkt dit oordeel anders dan wat op hun gedachtenisprentje staat. Gelovigen mogen blij zijn omdat ze ervan overtuigd zijn dat het èchte oordeel over hun leven zal uitgesproken worden door de mensgeworden Zoon van God, hij die zelf aan den lijve heeft ondervonden wat het betekent mens te zijn, in barre tijden. Ze mogen rekenen op zijn barmhartigheid. Maar in zijn oordeel ook over hen zal alles afhangen van de vraag wat ze zelf van de barmhartigheid voor medemensen hebben terechtgebracht.


Gebruikte literatuur

Jean-Pierre CHARLIER, Signes et prodiges (Lire la Bible 79). Cerf, Parijs, 1987

Michael GREEN, The Message of Matthew. Leicester, 2000

Jan LAMBRECHT, Nieuw en oud uit de schat. De parabels in het Matteüsevangelie. Acco, Leuven, 1991

Jean PERRON, Au file de l'année: l'Evangile, les dimanches de l'année A (Lire la Bible 52). Cerf, Parijs, 1980

Paula SEETHALER, Die vier Evangelien. Herder, Freiburg, 1970

Frans VAN SEGBROECK (red), Matteüs opnieuw. VBS/Acco, Leuven, 1999

Wim WEREN, De broeders van de Mensenzoon. Amsterdam, 1979


Terug naar top