Get Adobe Flash player
Get Adobe Flash player

I. Opzet


Van het Lucasevangelie (Lc) wordt gezegd dat het meer dan de andere de titel 'liturgisch evangelie' verdient. Het is beter dan de andere vertegenwoordigd in de lezingen op zondagen en feestdagen: uiteraard in het C-jaar, maar op sommige feestdagen en zondagen (kerst- en paastijd) ook in de andere jaren. Sommige passages worden twee keren tot drie keren gelezen. Bovendien lezen we van Pasen tot Pinksteren ook uit de Handelingen van de apostelen (Hand.), het andere boek van Lucas.

Over Lc preken is gemakkelijker dan over de andere evangelies, hoort men vaak zeggen. Het is in een verzorgde en ook voor moderne lezers toegankelijke taal geschreven en bevat een aantal eigen, zeer mooie parabels die niet moeilijk op een sprekende manier te commentariëren zijn. Maar om de specifieke 'boodschap' en de volle draagwijdte van de teksten niet te missen moet men toch een voldoende inzicht hebben in de kentrekken waardoor dit evangelie verschilt van de andere en daarnaast ook soms een verbinding leggen met bepaalde passages uit Hand.

Met het oog daarop is deze tekst geschreven, in de hoop dat hij een bruikbare preekhulp kan zijn.


II. De twee boeken van Lucas


§ 1. Aan het begin van Hand. (1,1v), evenals het evangelie opgedragen aan een zekere Theofilus, verwijst de auteur naar zijn eerste boek waarin hij naar eigen zeggen alles beschreven heeft wat Jezus heeft gedaan en geleerd vanaf het begin tot aan de dag waarop hij in de hemel is opgenomen. Dan herneemt hij in een gedetailleerder verhaal wat we al aan het einde van Lc. (24,50-53) over de 'opneming' van Jezus lezen. Nu moet het elke aandachtige lezer opvallen dat de twee verhalen elkaar op een aantal punten tegenspreken. Volgens Hand. was het op de Olijfberg dat de apostelen gezien hebben hoe Jezus werd "omhooggeheven en opgeheven in een wolk"1, veertig dagen na zijn lijden en dood. Lc noemt Bethanië als de plaats waar dit gebeurd is, en niet na veertig dagen maar onmiddellijk na zijn opstanding uit de dood. Verder begrijpt men niet goed waarom het gebeuren in Lc zo kort wordt beschreven en veel uitvoerige in Hand. Men zou eerder het tegendeel verwachten.

De meeste commentaren tillen daar niet zwaar aan. Algemeen wordt aangenomen dat de auteur zijn twee boeken als delen van één geheel heeft geconcipieerd. Het zou kunnen dat hij al een duidelijk concept van de inhoud van Hand. voor de geest had toen hij zijn evangelie begon te schrijven. Vandaar dat sommigen Lc + Hand. bij voorkeur kenmerken als één boek in twee delen.

Aan zulke kwesties hebben toehoorders van preken over Lc natuurlijk geen enkele boodschap. Maar ze worden wel met de gesignaleerde moeilijkheden geconfronteerd als op hemelvaartsdag de twee verhalen worden gelezen. Het eerste dat iemand die erover preekt voor zijn toehoorders duidelijk moet maken, is dat de verrijzenis van Jezus, zijn hemelvaart en de zending van de Geest één werkelijkheid zijn. Zo staat het in Lc en o.m. ook in Hand. 2,32vv. (eerste toespraak van Petrus). Ten tweede, belangrijk is te onderstrepen dat Lucas in Handelingen "de gebeurtenissen 'tijdelijk' van elkaar scheidt om ze inhoudelijk meer reliëf te geven... Men zou kunnen zeggen dat Lucas het centrale geloofsgeheim, de verrijzenis, als door een prisma ontleedt om zo de rijke inhoud ervan beter te laten zien" (G. Bouwman, 1976, p. 164v.).


§ 2. In de opdracht van zijn evangelie omschrijft Lucas in één lange volzin zijn werkwijze bij de samenstelling ervan en het doel dat hij ermee wil bereiken. Hij grijpt terug naar wat anderen al vóór hem verteld en opgetekend hebben over "de gebeurtenissen die zich in ons midden hebben voltrokken". Het gaat om de gebeurtenissen die overgeleverd zijn door hen die "vanaf het begin ooggetuigen zijn geweest en dienaren van het Woord zijn geworden". De auteur schrijft niet op eigen gezag, maar op dat van zijn bronnen. Volgens veruit de meeste exegeten is zijn eerste bron (zoals ook die van (Matteüs) het Marcusevangelie. Men noemt dit de 'drievoudige traditie'. Daarnaast maakt hij samen met Matteüs gebruik van een verzameling logia ('woorden': uitspraken en verhalen) van Jezus (het zgn. Q-materiaal). Dit is de 'tweevoudige traditie'. Maar er is ook nog de 'enkelvoudige traditie' van het zgn. Sondergut: woordstof en verhalenstof waarover alleen Lucas beschikt, uiteraard voor de samenstelling van Hand. maar ook in zijn evangelie.

Wat hij vindt in deze bronnen, wil Lucas "van de aanvang af nauwkeurig nagaan" en alles "in ordelijke vorm op schrift stellen". Zijn doel daarbij is Theofilus "te overtuigen van de betrouwbaarheid van de zaken" waarin deze als christen onderricht is. Hij wil m.a.w. door zijn boek bewijzen dat alles wat christenen zoals Theofilus geleerd hebben te geloven, betrouwbaar is.

Lucas betitelt zijn tweevoudig boek niet als 'evangelie'. Hij spreekt van een ordelijk op schrift gesteld 'verhaal' (NBV: 'verslag'). Er bestaat vrij grote eensgezindheid onder de specialisten over het literaire genre dat Lucas gebruikt. Zijn boek vertoont veel kenmerken van het genre van de 'historiografie' dat in de Grieks-Romeinse wereld van toen algemeen bekend was. Geschiedschrijving dus, maar geschiedschrijving met een specifiek doel: de lezers niet gewoon informeren, maar van iets overtuigen, hen sterken in hun geloof. "Lucas is eerst gelovige en theoloog, dàn pas historicus" (P. Schmidt, p. 164). Zijn twee boeken zou men kunnen kenmerken als 'verkondigende geschiedschrijving'. Lucas springt nogal vrij om met zijn bronnen. Hij selecteert het materiaal dat hij nodig en nuttig acht en hij organiseert het met het oog op zijn persoonlijke interpretatie van de 'gebeurtenissen' en in dienst van zijn doelstelling. Hij wil dat de lezers zijn tweevoudig verhaal lezen en begrijpen zoals hij het begrijpt.

Over de identiteit van Lucas (die zelf nergens zijn naam vermeldt) bestaat onder geleerden nog altijd discussie, maar dat heeft weinig belang. In elk geval is zowel uit de inhoud van zijn twee werken als uit de taal en de stijl met voldoende zekerheid af te leiden dat hij goed vertrouwd was met de Grieks-Romeinse cultuur en vooral lezers van niet-joodse afkomst op het oog had. Zijn doelpubliek waren gemeenschappen van zulke christenen die hun geloof moesten beleven en ervan getuigen in een situatie waarin een grote religieuze en culturele verscheidenheid bestond en christenen met een sterke oppositie hadden af te rekenen. Zijn opzet was deze gemeenschappen "sterk te maken tegen de krachten van de oppositie, door (1) hun zekerheid te geven in hun interpretatie en ervaring van Gods plan om de mensen te redden en (2) hen aan te sporen tot volhardende trouw en tot getuigenis van Gods plan" (J.B. Green, p. 21v.).


§ 3. De twee boeken van Lucas zijn in hun geheel één doorlopend 'theo-logisch' verhaal: een logos, een verhaal waarin God de hoofdrol speelt. Maar in de 'vertelde wereld' van het verhaal treedt hij zelden rechtstreeks op en in die zin is hij daarin geen personage. De hoofdpersoon in Lc is Jezus (in Hand. zijn het vooral Petrus en Paulus). Via alles wat Jezus zegt en doet, intervenieert God in de wereld om zijn plan, redding en heil brengen aan alle mensen, uit te voeren.

Over de vraag of en in welke zin de heilige Geest moet gezien worden als een personage in de 'vertelde wereld' van Lucas' verhaal verschillen de exegeten van mening. Verderop komt dit in een apart hoofdstukje (deel II, II) nog ter sprake.


3.1. Aan het einde van Lc (24,49vv.) lezen we dat Jezus zijn leerlingen opdraagt in Jeruzalem te blijven tot ze "met kracht uit de hemel zijn bekleed" en nadien van hen heengaat en in de hemel wordt opgenomen. Dit slot markeert het einde (de voltooiing) van de 'tijd van Jezus'. Het begin van Hand. geeft het begin aan van een nieuwe tijd: de 'tijd van de kerk'. De auteur herhaalt de opdracht dat de leerlingen in Jeruzalem moeten blijven, totdat ze gedoopt zullen worden met de heilige Geest. Dan zullen ze een nieuwe opdracht krijgen: van hem getuigen "in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde" (1,8). Aan die opdracht beginnen ze onmiddellijk nadat de heilige Geest op het pinksterfeest over hen is gekomen. Het begin dus van de 'tijd van de kerk'.


3.2. Het evangelie schrijft de geschiedenis van de 'tijd van Jezus'. Ze verloopt in een opgaande lijn. Het beginpunt is Galilea, met alles wat daar is gebeurd. Dan volgt een lange reis, naar het eindpunt Jeruzalem. Dat ze een opgaande weg is, wordt met evenveel woorden gezegd bij de aanvang van de reis: "Toen de tijd naderde dat Jezus zou worden opgeheven (de NBV expliciteert, maar versmalt: van de aarde weggenomen), ging hij vastberaden op weg" (9,51). 'Opgeheven' heeft een meervoudige betekenis: op het kruis geheven, opstaan uit de dood-in de hemel opgeheven.

Het 'grote reisverhaal' is een literaire constructie van Lucas. Hij maakt er gebruik van om er zijn eigen materiaal in weer te geven: onderricht aan zijn leerlingen, enkele wonderen en verschillende parabels. Voor het feit dat hij aan die reis zo veel belang hecht, geven exegeten twee redenen aan. Hij stelt het optreden van Jezus voor als de activiteit van een rondtrekkende predikant, van een 'missionaris', zoals Paulus en zijn medewerkers in Hand. Het is niet uitgesloten dat hij zelf zo'n missionaris is

geweest. Belangrijker is wellicht dat hij het leven van de christenen opvat als een 'weg'. Het is een bekend thema in Hand. Christenen worden "aanhangers van de Weg" genoemd (9,2; 22,4), hun levenswijze heet gewoon "de Weg" (19,9.23; 24,14.22) en de prediking van Paulus noemt hij "onderricht in de Weg van de Heer" (18,25).

Jeruzalem wordt dan, na Pinksteren, in Hand. het beginpunthet beginpunt van de geschiedenis die verderloopt in een neergaande lijn en doorloopt tot in Rome (Hand. 28,11vv.). Maar Rome is niet het eindpunt. De geschiedenis moet voortgeschreven worden door het koninkrijk van God te verkondigen en vrijmoedig te onderrichten over de Heer Jezus Christus 'tot aan de uiteinden van de aarde', zolang de wereldgeschiedenis blijft duren.

De persoonlijke interpretatie van de 'gebeurtenissen' waarover Lucas schrijft en waarvan hij zijn lezers wil overtuigen is dus een visie op de geschiedenis. In het midden, het centrum van de geschiedenis speelt zich de 'tijd van Jezus' af. In die tijd gebeurt de vervulling van de oudtestamentische beloften uit de 'tijd van de voorbereiding'. Vanuit haar centrum loopt de geschiedenis voort in de 'tijd van de kerk', de tijd waarin de zending van Jezus wordt voortgezet door allen die onder de stuwing en de inspiratie van de heilige Geest Gods koninkrijk verkondigen en die zal duren tot Jezus, op dezelfde wijze als zijn leerlingen hem naar de hemel hebben zien gaan, terug zal komen (Hand. 1,11).


3.3. Met deze visie op de geschiedenis heeft Lucas zijn lezers verlost van een probleem dat hen meer en meer bekommerde. De christenen van de eerste generatie leefden in de verwachting dat het einde der tijden en de parousie (de terugkeer van de Heer der geschiedenis) spoedig zouden komen. In de zgn. eschatologische rede van Jezus, over 'de laatste dingen' als het einde der tijden aanbreekt, voorspelt hij: "Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker nog niet verdwenen zijn wanneer al die dingen gebeuren." Volgens Mc 13,29 en Mt 24,33 staat dit alles "vlak voor de deur". Maar hoe langer het verwachte einde der tijden uitbleef, hoe sterker de christenen in hun verwachting teleurgesteld werden. Volgens de tweede Petrusbrief waren ze het voorwerp van spot geworden. "Waar blijft hij nu? Hij had toch beloofd te komen? De generatie vóór ons is al gestorven en alles is nog steeds zoals het sinds het begin van de schepping geweest is." De auteur geeft het antwoord: "Voor de Heer is één dag als duizend jaar en duizend jaar als één dag" (2 Petr 3,4.8).

Toen Jezus na zijn dood aan zijn leerlingen verscheen, laat Lucas hen vragen: "gaat u dan binnen afzienbare tijd het koningschap over Israël herstellen?". Jezus antwoordde dat het hun zaak niet was te weten wat de Vader over de tijd heeft vastgesteld (Hand. 1,6v.). Als ze het niet konden weten, moesten ze het ook niet proberen te achterhalen. Speculaties en berekeningen over de tijd van het einde zijn tijdverlies. Ze moesten de handen uit de mouwen steken: in de kracht van de heilige Geest getuigen van Jezus tot aan de uiteinden van de aarde.

Het tweede boek van Lucas bewijst dat hij de overtuiging van de andere synoptici niet deelde. Had hij gemeend dat het einde van de geschiedenis weldra zou aanbreken, dan zou hij niet begonnen zijn aan het schrijven van een 'kerkgeschiedenis'. Voor hem is "God altijd de komende en de mens in wezen een wachtende... Wie Gods komen binnen de gezichtseinder van zijn menselijk pogen haalt, verruilt de majesteit van de onvergankelijke God voor de afbeelding van een menselijke gestalte" (G. Bouwman, 1968, p. 66).


III. De ouverture


§ 1. De eerste twee hoofdstukken van Lc hebben het karakter van een preludium. Sommigen spreken van een 'proto-evangelie': een evangelie vóór het evangelie. Ze vormen een afgerond geheel, geschreven in een literair genre dat in de vakliteratuur bekend staat als midrasj haggada: uitleg van en bezinning over stukken uit de bijbel in de vorm van verhalen. Men neemt aan dat Lucas de verhalen ontleend heeft aan een joods-christelijke traditie en ze voor zijn eigen doeleinden heeft herschreven. Hoewel zeer waarschijnlijk geen jood van geboorte, bewijst hij dat hij bijzonder goed thuis is in de joodse bijbel (Griekse vertaling).

De verhalen en liederen van dit 'proto-evangelie' functioneren als een scharnier op het snijpunt tussen de tijd van 'belofte en voorbereiding' en de 'tijd van Jezus'. Ze verdienen aparte aandacht omdat ze in alle jaren van de kerkelijke liturgie een belangrijke plaats hebben (feesten rond Kerstmis en Mariafeesten).


§ 2. Lucas heeft het materiaal uit zijn bronnen met veel zorg en literaire kundigheid geconstrueerd als een tweeluik, met aan de ene kant het verhaal over de aankondiging van de geboorte en de gebeurtenissen rond de geboorte van Johannes de Doper en aan de andere kant de verhalen over de aankondiging van de geboorte van Jezus, zijn geboorte en de gebeurtenissen erna. Het tweeluik beschrijft met veel details de 'überbietende Parallelität', de overtreffende overeenkomst tussen Jezus en Johannes (F. Kamphaus, p. 13). Aan het begin van het evangelie zegt Johannes dat hij die na hem komt krachtiger is dan hij (3,16) en verderop zegt Jezus het nog eens anders. "Van allen die geboren zijn uit een vrouw is niemand groter dan Johannes, maar in het koninkrijk van God is de kleinste nog groter dan hij" (7,28).


2.1. Het verhaal over hoe Johannes en Jezus ter wereld zijn gekomen moet de lezers van Lc uit de Grieks-Romeinse wereld niet verrast hebben. In hun cultuur waren verhalen over de wonderbare geboorte van grote helden en koningen schering en inslag. Ook in de joodse wereld kende men zulke verhalen, maar met dit verschil dat het daarin wel ging over een goddelijke interventie in de conceptie en geboorte van een kind, maar altijd zonder enige seksuele connotatie (de bevruchting van een mens door een godheid). Het zijn aankondigingsverhalen. Ze vertellen hoe een boodschapper vanwege God de geboorte van een bijzonder kind aankondigt uit een vrouw die normaal geen kinderen kan krijgen. Het oudste en best bekende voorbeeld is de belofte van een zoon aan Abraham en zijn bejaarde vrouw Sara (Genesis 18, 9-15). Lucas heeft zulke verhalen gebruikt als model voor zijn twee verhalen.

De aspecten van de overtreffende overeenkomst springen in het oog. Zacharias en zijn vrouw waren verdienstelijke mensen: vrome en wetsgetrouwe gelovigen. Maria had geen enkele verdienste, maar werd door de Heer begenadigd. Johannes "zal groot zijn in de ogen van de Heer", Jezus groot zonder meer. Johannes zal profeet van de Allerhoogste genoemd worden (1,76), Jezus zoon van de Allerhoogste. Johannes zal nog in de schoot van zijn moeder vervuld worden met de heilige Geest, Jezus zal verwekt worden door overschaduwing van de heilige Geest. Er is ook een overtreffende overeenkomst tussen Maria en de toekomstige vader van Johannes. Zacharias drukte zijn twijfel aan de belofte uit, terwijl Maria gewoon zei: laat er met mij gebeuren wat u gezegd hebt.


2.2. Het verhaal van de boodschap aan Maria is doorspekt met toespelingen op passages uit de bijbel. Vooral drie ervan zijn belangrijk om de echte teneur van het verhaal te begrijpen.

De begroeting van Maria verwijst naar de profetie over Jeruzalem van Sefanja (3,14-17). "Verheug u, dochter van Sion, zing van vreugde, Jeruzalem. Wees niet bang, Sion. De Heer, uw God, zal in u zijn. Hij is de redder die u bevrijdt." Maria wordt niet als individuele persoon aangesproken, maar als verpersoonlijking van het hele volk. "De voornaamste persoon is niet zij tot wie de boodschap gericht is..., maar veeleer de persoon over wie de boodschap spreekt: het kind dat zal geboren worden, het kind van wie de rol in Gods plan plechtig wordt geproclameerd" (J. Perron, p. 27).

Wat de engel zegt over de goddelijke herkomst en de koninklijke functie van de zoon die Maria ter wereld zal brengen, alludeert op de belofte van de profeet Natan aan koning David (2 Samuël 7,12-16). "Uw opvolger, uit u geboren, zal ik een bestendig koningschap schenken. Ik zal een vader voor hem zijn en hij voor mij een zoon. Uw koningshuis zal eeuwig voortbestaan en uw troon nooit wankelen."

Maria vraagt hoe ze zwanger kan worden als ze nooit gemeenschap met een man heeft gehad. De engel antwoordt: "De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken." 'Schaduw' verwijst naar de wolk waarin Jahwe volgens de bijbel aanwezig komt, bij het volk blijft en het leidt op zijn weg. In Exodus 40,34v. wordt beschreven hoe de ontmoetingstent overdekt werd door een wolk en de heerlijkheid van Jahwe de tabernakel met daarin de ark van het verbond vulde. Maria verpersoonlijkt de ark van het verbond. De "volmaakte tegenwoordigheid van God... verwerkelijkt zich in Maria, nieuwe en levende ark van het verbond". In haar schoot is Jezus "de echte tegenwoordigheid van God" (J. Perron, p. 30).

De predicatie over dit evangelie (lezing van de 4de adventszondag, B-jaar en feest van Maria onbevlekt ontvangen) moet niet veel exegetische toelichting geven maar zal veel toehoorders dienst bewijzen door voldoende uit te weiden over het literaire genre van de tekst.

Met Jezus is hetzelfde gebeurd als met andere beroemde en belangrijk geworden mensen. Men wil ook weten waar ze vandaan komen, hoe we waren als kind, wie hun ouders waren, enzovoort. Men speurt in dit verleden naar tekenen waaruit al zeer vroeg hun bijzonderheid kan blijken en schuwt daarbij geen legendarische trekjes. Dit vroegste stuk van hun levensgeschiedenis wordt het laatst geschreven en dan aan het begin geplaatst. Dat heeft ook Lucas met de geschiedenis van Jezus gedaan, niet door te gaan graven naar historische feiten maar door het geloof dat Jezus een unieke mens was zoals er nooit een andere is geweest, te projecteren in de unieke manier waarop hij ter wereld is gekomen. Of dit echt gebeurd is zoals Lucas het vertelt, mogen we betwijfelen. Maar boven elke twijfel staat dat Jezus, die zeer uitzonderlijke mens, een moeder heeft gehad die een zeer uitzonderlijke vrouw was. Zij heeft het kind gedragen, gevoed en opgevoed dat in zijn menselijke trekken God zelf aan de wereld heeft doen kennen. Haar hele leven is met dat van Jezus verweven, zij heeft zijn gelaatstrekken en zijn karakter mee bepaald, ze heeft het stempel van haar persoonlijkheid op Jezus gedrukt. Ze stond uitzonderlijk dicht bij God.


2.2.1. Het verhaal van het bezoek van Maria aan Elisabet lijkt op een onbeduidend intermezzo, maar Lucas geeft er een belangrijke functie aan. Het beschrijft de eerste ontmoeting van Jezus en Johannes. Elisabet zegt het met evenveel woorden. Toen Maria haar groette, sprong haar kind op in haar schoot en vervuld met de heilige Geest riep ze luid: "Wie ben ik dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt?" Exegeten herkennen hierin de vraag van David, met de ark van het verbond op weg naar Jeruzalem. "Hoe kan de ark van de Heer bij mij komen?" (2 Samuël 6,9). Zoals de ark drie maanden in het huis van Obed-Edom bleef en de Heer hem en zijn hele familie zegende, zo bleef Maria ongeveer drie maanden bij haar nicht. Lucas maakt hier nog eens duidelijk hoe zijn lezers Maria moeten zien. "De oer-christelijke naam van Maria als 'Ark van het Verbond is volledig verantwoord, want zij is de Moeder van de gelovigen" (G. Bouwman, 1976, p. 33).

Het verhaal van Maria's bezoek heeft nog een apart belang omdat Lucas haar bij die gelegenheid het loflied dat wij 'Magnificat' noemen in de mond legt. Verderop wordt hierover meer gezegd.


2.2.2. In de verhalen over de geboorte van Johannes en Jezus zien we opnieuw een overtreffende overeenkomst. Johannes wordt bij zijn ouders thuis geboren, Jezus ver van huis, in Betlehem, de stad van David. De buren en verwanten van Johannes' ouders verheugen zich samen met Elisabet. Jezus wordt incognito geboren en er moet een engel aan te pas komen om het goede nieuws bekend te maken.


2.2.3. Bij het verhaal van Kerstmis moeten we de vrome en artistieke verbeelding van ontelbare schilders opzij zetten om het te lezen zoals het wordt verteld. Jozef en Maria hadden ergens in de stad al onderdak gevonden: "terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan." Ze legde haar kind in een voederbak, "omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf". Misschien bedoelt Lucas de voederbak in een stal, maar zeker is dit niet. Erg onwaarschijnlijk is niet dat hij een voederbak bedoelt die Maria als wieg gebruikte in een ruimte die in bescheiden woningen als gemeenschappelijke verblijfplaats voor mensen en dieren moest dienen (zie o.m. H. Schürmann, p. 105v.). Zeker lijkt wel dat hij spreekt van een voederbak om in de boodschap van de engel het contrast te onderstrepen met de 'redder, de messias, de Heer' die erin werd gelegd. Dit wordt nog versterkt door de vermelding van het schijnbaar overbodige detail dat Maria haar kind in een doek wikkelde. Men leest daarin een toespeling op een uitspraak in het boek Wijsheid (7,4v.): zoals koning Salomo heeft Jezus bij zijn geboorte "in windsels gelegen... Geen enkele koning is zijn leven anders begonnen".

Het is ook geen detail dat Lucas Jezus' geboorte situeert tijdens de regeerperiode van de Romeinse keizer Augustus. Van een volkstelling op keizerlijk bevel vinden historici geen enkel spoor. Lucas gebruikt dit als een literaire inkleding om Jozef en Maria te associëren met Betlehem. Augustus werd 'goddelijk' genoemd, o.m. omdat hij in zijn rijk een jarenlange vrede heeft doen heersen. Lucas brengt hier aan contrast met de geboorte van de echte 'zoon van God', de echte drager van de echte drager van universele vrede en verlossing.

Herders hadden in de joodse samenleving van die tijd een slechte faam. Men stelde hen gelijk met dieven en tollenaars omdat ze hun schapen lieten grazen op de weiden van anderen. Men beschouwde hen als onrein omdat ze wegens hun beroep de rituele voorschriften niet in acht konden nemen. Lucas voert ze op als de eersten van de kleine lieden, armen en zondaars naar wie in zijn hele evangelie een bijzondere voorkeur gaat. Zij werden omgeven door het stralende licht dat Gods genadige aanwezigheid symboliseert en mochten het eerst het goede nieuws vernemen. Deze armen waren de eersten die het nieuws wereldkundig hebben gemaakt.


§ 3. Typisch voor de kindsheidsverhalen is dat de meeste episodes afgesloten worden met een loflied. Die liederen hebben een eigen plaats gekregen in de kerkelijke liturgie: zowel het korte loflied van de engelen bij Jezus' geboorte als het danklied van Maria bij haar bezoek aan haar nicht, dat van Zacharias na de geboorte en besnijdenis van zijn zoon en dat van de bejaarde Simeon toen Jezus in de tempel aan God werd toegewijd.


3.1. Het meest bekende en gezongen lied is het Magnificat, waarvan de strofen een mozaïek van oudtestamentische citaten en allusies vormen. Maar zijn model is vooral het danklied van Hanna die haar zoontje Samuël van God heeft gekregen (1 Samuël 2,1-11).

Het valt op dat Maria, anders dan Zacharias, geen woord zegt over haar kind (misschien omdat het nog niet geboren is?). Zacharias kijkt profetisch vooruit naar de rol die zijn zoon in het leven van Jezus zal spelen (1,76v.). Maria zegt alleen dat God haar gekozen heeft en grote dingen voor haar heeft gedaan. Maar beiden spreken ze wel over de vervulling van de beloften die God aan hun voorouders heeft gedaan.

Lucas heeft zich sterk laten inspireren door de gezindheid van de 'armen van de Heer' die in het lied van Hanna (en ook in sommige psalmen) aan het woord komt. Het is de gezindheid van "de kleine mensjes die altijd weer aan het kortste eind trekken en die daarom alleen nog hun hoop op God hebben gesteld" G. Bouwman, 1976, p. 328), van diegenen die nu arm zijn en bedroefd, die honger hebben en vervolgd worden (Lc 6,20v.). Maria geeft stem aan de dankbaarheid van deze armen omdat God toont dat hij met hen begaan is. Het middenstuk van het Magnificat klinkt als een protestlied. God staat niet aan de kant van de heersers en de rijken. Heersers stoot hij van hun troon en rijken stuurt hij weg met lege handen, maar wie gering is geeft hij aanzien en wie honger heeft overlaadt hij met gaven. Daar is het Lucas om te doen, zoals blijkt op veel plaatsen in zijn evangelie.


§ 4. Jezus komt al in zijn kinderjaren twee keren naar de tempel in Jeruzalem. Jeruzalem speelt, zoals al gezegd, zowel in Hand. als in Lc. een centrale rol (zie boven, II, 3.2).


4.1. Als de wetsgetrouwe ouders van Jezus met hun jonge kind naar de tempel komen, komt Simeon op hen af en onderkent hij de werkelijke identiteit van Jezus. Hij verwoordt dit in een danklied. Wat verschillende keren door de profeet Jesaja (42,6; 49,6; 52,10) is voorspeld, wordt nu vervuld: de messias is niet alleen voor Isra‰l gekomen, hij is ook een licht dat aan de heidenen wordt geopenbaard. Lucas laat hem hier al voorspellen wat hij pas in Hand. zal vertellen. Maar Simeon voorziet ook dat nog een andere voorspelling van Jesaja (8,14v.) waar zal worden: Jezus zal miskenning en verzet ondervinden en voor de joden een teken van tegenspraak zijn. En ook Jezus' moeder zal aan die tweedracht niet ontsnappen. Zo laat Lucas Simeon zijn tweevoudig verhaal in een notendop resumeren.


4.2. Het verhaal over Jezus' tweede bezoek, als 12-jarige jongen, aan de tempel rondt Lucas af met een samenvattende tekening van het zgn. verborgen leven van Jezus. Dit zal wel de reden zijn waarom het verhaal werd gekozen als lezing van het feest van de heilige Familie, C-jaar: een voorbeeldige, gehoorzame jongen met voorbeeldige ouders. Maar dat is het niet wat de evangelist eigenlijk bedoelt. Hij anticipeert op de confrontatie van Jezus aan het einde van zijn leven met "de leraren" in de tempel. De pointe van het verhaal is Jezus' antwoord op het verwijt van zijn moeder: "Wist u dan niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?" (2,49). Hij distantieert zich van zijn ouders en zij begrijpen het niet. Verderop in het evangelie komt dit terug. Gelukkiger dan de vrouw die Jezus in haar schoot heeft gedragen en hem heeft gezoogd zijn zij die naar het woord van God luisteren en ernaar leven (11,27v.). Zij die dit doen, zijn Jezus' echte moeder en broers (8,21).

Het lijkt niet te ver gezocht hier al een echo te lezen van de spanning in de jonge kerk tussen de bloedverwanten van Jezus, met name en vooral zijn broer Jakobus, hoofd van de kerk in Jeruzalem, en diegenen die geen band van 'vlees en bloed' met hem hadden. Lucas maakt duidelijk dat het niet de banden van 'vlees en bloed' zijn die tellen.


§ 5. Alle kindsheidsverhalen hebben een zelfde strekking. Hun bedoeling is niet de lezer "te vertederen door over de 'kleine Jezus' te spreken". Ze zijn geschreven in het licht van wat er na Pasen is gebeurd en spreken over Jezus zoals de apostelen hem verkondigd hebben: de Heer en messias, de redder en bevrijder (zie o.m. Hand. 2,36). Ze zijn "aankondiging van Christus, overwinnaar van de haat en de dood, die nu leeft en redder is van de wereld en Heer van de geschiedenis" (J. Perron, p. 36).



1 Voor citaten wordt in de regel gebruik gemaakt van de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV).


Gebruikte Literatuur

R.J. Allen, Preaching Luke-Acts. Saint-Louis, 2001

G. Bouwman, De derde nachtwake. Lannoo, Tielt, 1968

--- Met Lukas op weg. Averbode, 1976

E. Freed, The Stories of Jesus' Birth. Sheffield, 2000

D. Juel, Luc-Actes. La promesse de l'histoire. Cerf (Lire la Bible 80). Parijs, 1987

J.B. Greer, The Gospel of Luke. Grand Rapids, Michigan, 1997

F. Kamphaus, De kindsheidsverhalen. KBS, Boxtel, 1970

Ph. Noël, Lucas, in E. Eynikel e.a. (red.), Internationaal commentaar op de bijbel, deel II. Averbode, 2001, p. 1588-1667

J. Perron, Au fil de l'année: l'Evangile, les dmanches de l'année C. Cerf (Lire la Bible 50), Parijs, 1979

P. Schmidt, Woord van God - boek van mensen. Altiora, Averbode, 1990, p. 158-180

H. Schürmann, Das Lukasevangelium I/II. Herders Theologischer Kommentar zum Neuen Testament. Herder, Freiburg, 1982/1994