Get Adobe Flash player
Get Adobe Flash player

IV. Het begin


§ 1. Bij Lucas is het eigenlijke beginpunt van Jezus' publieke optreden zijn vaderstad Nazareth. Hij is vanuit de woestijn daarheen getrokken en onderweg gaf hij met veel bijval onderricht in de synagogen. Zijn faam was hem voorafgegaan toen hij in Nazareth aankwam. Lucas is de enige evangelist die vertelt dat daar in het gebedshuis voorlas uit de profeet Jesaja over de opdracht van iemand die door God wordt gezonden en op wie zijn Geest rust (zie Jesaja 61,1) en er een kort commentaar aan toevoegde. "Vandaag hebben jullie deze tekst uit de Schrift in vervulling horen gaan." Aan armen wordt het goede nieuws gebracht, gevangenen horen over hun vrijlating, blinden worden genezen, onderdrukten bevrijd (4,14-21 - lezing van de 3de zondag). Jezus werd door zijn toehoorders op bijval onthaald. Ze verwonderden zich, maar zijn woorden vielen in goede aarde. Lucas zegt niets over het feit dat de toehoorders volgens de andere synoptici aanstoot namen aan Jezus en dat hij zich verwonderde over hun ongeloof. In plaats daarvan vertelt hij hoe Jezus zelf hen tegen de haren in streek.


1.1. 'Geen enkele profeet is welkom in zijn vaderstad.' Met dit gevleugeld woord reageerde Jezus op de ergernis van zijn stadgenoten. Bij Lucas reageerde hij, totaal onverwacht eigenlijk, op die manier op hun geestdrift. En hij gaf daar twee voorbeelden van uit hun vaderlandse geschiedenis om het te bevestigen. De profeten Elia en Elisa werden naar vreemden gezonden, in een 'heidense' streek. Dit moet zijn toehoorders danig gefrustreerd hebben in hun verwachtingen. Ze reageerden hun frustratie af in moorddadige woede. Maar ze kregen Jezus niet in hun macht. Hij liep midden tussen hen door en volgde zijn weg (NBV: 'hij vertrok'). De weg die naar Jeruzalem leidt (4,23-30 - lezing 4de zondag). Naar Nazareth is hij nooit meer teruggekeerd.


§ 2. De woorden die Jezus hier in de mond worden gelegd, bedoelt Lucas als een soort mission statement, een opdrachtverklaring van Jezus aan het begin van zijn zending. Verderop (7,18-23) vertelt hij hoe Johannes de Doper in de gevangenis van zijn twijfel omtrent Jezus wordt verlost. Jezus vraagt aan leerlingen van Johannes dat ze hun meester gaan melden wat ze horen en zien: mensen worden genezen en van boze geesten bevrijd, blinden kunnen weer zien. Ze kunnen hem meedelen dat de opdrachtverklaring geen dode letter is gebleven. En er is een waarschuwing aan toegevoegd: gelukkig zij die aan Jezus geen aanstoot nemen.


2.1. Waarom eigenlijk is de geestdrift van Jezus' toehoorders in Nazareth omgeslagen in heftige woede? We moeten het lezen als een voorafspiegeling van wat Jezus te wachten staat en later ook met Paulus zal gebeuren. Jezus verwerft zich eerst wel volgelingen, maar stuit in toenemende mate op heviger tegenstand en vijandigheid. Men neemt het niet dat hij het voor 'de armen' heeft en 'heidenen' niet uitsluit. Hij voorziet dat het hem, zoals de oudtestamentische profeten (zie 11,47v.), zijn leven zal kosten. "Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt wie naar haar toe zijn gestuurd!" (13,34). Paulus en zijn medewerker Silas worden in Tessalonica door de jaloerse joden verdreven als blijkt dat hun predicatie aanslaat bij "veel Grieken die God vereerden en een groot aantal vrouwen uit de hogere kringen" (Hand. 17,4-6).

Jezus liep in Nazareth midden tussen de menigte door. Als zijn weg in Jeruzalem uitmondt in zijn dood, loopt hij erdoor heen naar zijn opstanding, en verder door naar voortzetting van zijn opdracht (J.B. Green, p. 218v.).


§ 3. Merkwaardig is dat Jezus in Lc op één uitzondering na nergens buiten de joodse grenzen optreedt. Exegeten noemen dit de 'grote weglating'. In de drievoudige traditie (zie deel I, II,2) ontbreekt bij Lc een reeks verhalen (Mc 6,45-8,26 en Mt 14,22-16,12) die daarop betrekking hebben (o.m. ook het tweede broodwonder). Lucas heeft wel een paar eigen verhalen over genezingen van 'heidenen' binnen het joodse gebied. Dat over de genezing van de slaaf van een Romeinse centurio neemt hij over uit de tweevoudige traditie, maar hij voegt eraan toe dat enkele joodse leiders erop aandrongen omdat ze met hem op goede voet stonden (7,2-10). In het verhaal over de genezing van tien melaatsen zit de pointe in de vermelding dat er een Samaritaan bij was, en wel de enige die dankbaar terugkeerde om God te loven (17,15). In de twee gevallen gaat het om niet-joden die geloven en daarom genezen worden. Voor Lucas behoort de zending naar niet-joden kennelijk niet tot de 'tijd van Jezus'. Hij brengt het verhaal ervan in Hand., het boek over de 'tijd van de kerk'.


§ 4. Vanuit Nazareth trekt Jezus in noordelijke richting, naar Kafarnaüm. Daar treedt hij op als leraar (rabbi) en als genezer. De evangelist geeft daar een exemplarische beschrijving van. Jezus geeft onderricht in de synagoge. Hij bevrijdt een man uit de macht van de kwade geest waardoor hij bezeten is en de schoonmoeder van Petrus van de hoge koorts die haar ziek maakt. Tussen die beide genezingen zien we een opvallende parallel. Jezus geeft een bevel (hij "sprak de koorts bestraffend toe": 4,39) en wordt onmiddellijk gehoorzaamd. De omstanders zijn erg onder de indruk. Hoe sterk moet zijn woord niet zijn dat onreine geesten aan zijn bevel gehoorzamen! De mensen brengen al hun zieken naar hem toe en hij geneest ze. Men wil hem in de stad houden, maar dat lukt niet. Hij moet ook elders "het goede nieuws over het koninkrijk van God verkondigen", want dat is zijn zending (4,43).


4.1. Hier staat voor de eerste keer in Lc de formule 'koninkrijk van God'. Ze heeft in de evangelies twee betekenissen die men goed moet onderscheiden.


4.1.1. In het Frans heeft men daarvoor twee woorden. 'Règne' is het woord voor de heilige wil en de soevereine macht van God. 'Heerschappij' zou men in het Nederlands kunnen zeggen. Dat is het goede nieuws dat Jezus en ook de leerlingen in zijn opdracht verkondigen: Gods heerschappij met haar heilzame effecten is nabij, ze heeft jullie bereikt (9,60; 10,9-11). "Van jullie is het koninkrijk van God", zegt Jezus tegen zijn leerlingen: hij prijst ze gelukkig omdat ze arm zijn, en daarom zal God hun de weldaden van zijn heerschappij schenken (6,20). Zoals kinderen zijn armen ontvankelijk voor Gods koninkrijk (18,16v.). Hij leert zijn leerlingen tot de Vader bidden: "laat uw naam geheiligd worden en laat uw koninkrijk komen" (11,2).


4.1.2. 'Royaume' is de vertaling van de metaforen die heil en redding beschrijven als een plaats, een gebied waar men binnengaat (18,17.24-25), waar men thuis is (7,28), een plaats waar men deelneemt aan een feestmaal, of buitengesloten wordt (13,28v.). Die betekenis heeft de formule ook in de parabels die Gods koninkrijk vergelijken met een feestmaal (14,7-24). Waar Gods koninkrijk (règne) komt, kan men spreken van een 'rijk' (royaume): een gebied, een territorium waarover hij heerst en waar mensen uit de macht van het kwaad zijn bevrijd.


4.1.3. Enkele parabels beschrijven hoe Gods koninkrijk (règne) naar zijn voltooiing groeit. Lucas ontleent er drie aan de drievoudige traditie. De parabel van de zaaier (8,5-8) beeldt uit hoe Gods woord, door Jezus verkondigd, bij veel mensen om verschillende redenen zonder resultaat blijft, maar uiteindelijk in zijn volle rijkdom tot ontplooiing komt. De parabels van het mosterdzaadje en van de zuurdesem in het deeg (13,18-21) hebben een zelfde strekking. Gods heerschappij groeit traag en ongemerkt, maar onweerstaanbaar. In de laatstgenoemde parabel valt de grote hoeveelheid meel op (drie zakken) waarin de vrouw zuurdesem vermengt: veel meer dan een vrouw nodig heeft om brood voor een gezin te bakken. Dit staat symbool voor de brede afmetingen van het gebied waar de effecten van Gods heerschappij zullen blijken.

Gods koninkrijk vestigt zich dus in twee fasen. Het is er nu al, bescheiden en verborgen en voorwerp van tegenstand. Als de farizeeën op een keer aan Jezus vragen wanneer Gods koninkrijk nu gaat komen, zegt hij dat die komst zich niet laat aanwijzen, "maar weet wel: het ligt binnen uw bereik" (Lc 17,20v.). Het werpt zijn vruchten af voor iedereen die ervoor openstaat. Hoe het zich uitwerkt, hangt af van hoe men er zich op instelt. Zo wordt het begrepen in de vertaling van de oudere Willbrordbijbel (1992): "Het koninkrijk van God is uw eigen zaak." In zijn eindfase, als het einde van de geschiedenis aangebroken is, wordt het in zijn volle en definitieve gestalte van kracht. Maar dat einde ligt niet in het onmiddellijk verschiet. In het Marcusevangelie (9,1) verzekert Jezus zijn toehoorders (en de christenen van de eerste generatie) dat sommigen "niet zullen sterven voordat ze de komst van Gods koninkrijk in al zijn kracht hebben meegemaakt". Lucas (9,27) schrapt 'in al zijn kracht' en beperkt dus de belofte tot de eerste fase van het koninkrijk.


4.1.4. Exegeten zeggen dat Jezus deze parabels verteld heeft om in te gaan tegen de courante joodse opvatting van Gods koninkrijk. Uit de joodse traditie stamt de verwachting van een politiek rijk dat God zou vestigen door een plots en spectaculaire interventie van zijn messias, een koning uit het geslacht van David. Die messias zou Israël bevrijden van zijn vijanden, de kwade machten vernietigen en een tijdperk van vrede en welzijn van eeuwige duur inluiden. Een weerklank daarvan lezen we in het danklied van Zacharias (1,69-73). Duidelijker horen we het uit de mond van Jezus' leerlingen. Als ze hem na zijn opstanding aan hen zien verschijnen, vragen ze: "Herstelt u in deze tijd het koninkrijk voor Israël?" (Hand. 1,6). Een politiek concept van Gods rijk heeft Jezus uitdrukkelijk afgewezen toen hij daarover ondervraagd werd door Pilatus (23,3v.). In het Johannesevangelie (18,36) zegt hij het met nadruk. "Mijn koningschap is niet van deze wereld."

Niet zelden nemen predikanten de term 'Gods rijk' te gedachteloos in de mond. Veel gebruikte formules zijn bv. 'werken aan de opbouw van Gods rijk', 'meewerken aan de uitbreiding van Gods rijk', maar hoe de toehoorders 'Gods rijk' verstaan of moeten verstaan blijft daarbij onbedacht en wordt niet nader toegelicht. Enige toelichting is wenselijk, en niet moeilijk. Men kan de toehoorders kort uitleggen wat ze vragen telkens als ze (gedachteloos) het Onzevader bidden (versie van Matteüs 6,9-13).

Gods rijk komt op aarde bij hen in de mate dat zijn wil geschiedt zoals hij geschiedt bij God zelf in de hemel. Of en hoe het komt, hangt dus van hen af: van de wijze waarop Gods wil door hen al of niet wordt gedaan. Maar dat wordt niet door henzelf bepaald. Ze moeten erom bidden: bidden dat hun inzicht in Gods wil gegeven wordt en kracht om er gehoor aan te geven.


V. De heilige Geest als personage


§ 1. Het valt op dat in het dubbel verhaal van Lucas de heilige Geest een prominente rol speelt. Moeten we erover spreken als een 'hij', een persoonlijk wezen, ofwel als een 'het', een onpersoonlijke kracht? Er is daarover veel geleerde discussie gevoerd. Het lijkt nu goeddeels een overbodige discussie, maar wel nuttig in zover ze laat zien dat het voor Lucas geen wezenlijk verschil maakt (W.H. Shepherd, p. 9). Naargelang van de situatie stelt hij de Geest voor als een kracht waardoor de personen die erin zijn betrokken worden gedreven en geïnspireerd, ofwel als zelf een personage in het verhaal.


§ 2. Vooral in de kindsheidsverhalen verschijnt de heilige Geest als de kracht die mensen profetische woorden ingeeft.


2.1. Als Maria bij haar op bezoek komt, wordt Elisabet vervuld van de heilige Geest die haar doet zeggen dat haar nicht de 'meest gezegende van alle vrouwen' is en dat haar toekomstig kind gezegend is (1,41v.). Na de geboorte van Johannes geeft de heilige Geest zijn vader een profetisch danklied in. De opgroeiende Johannes wordt "gesterkt door de Geest" (1,67vv.). Als Jezus in de tempel aan God wordt toegewijd, is het de Geest die de bejaarde Simeon naar de tempel drijft en hem zijn profetie doet uitspreken. Hanna, die in de tempel God diende, wordt door de evangelist een profetes genoemd die op haar beurt God hulde brengt en spreekt over het kind (2,27-28.38).


2.2. Het meest essentiële gegeven in de kindsheidsverhalen is de belofte van de engel aan Maria. De heilige Geest die over haar zal komen is "de kracht van de Allerhoogste" die haar "als een schaduw zal bedekken". Daarom zal het kind dat ze ter wereld zal brengen 'Zoon van God' genoemd worden (1,35). Dit ligt helemaal in de lijn van de oudtestamentische opvatting van de Geest als "scheppende, herscheppende en drijvende kracht van God zelf" (P. Schmidt, p. 168). Johannes de Doper kondigt Jezus als diegene die zal dopen met de heilige Geest en met vuur (3,16).


§ 3. Als Jezus zich heeft laten dopen en nog aan het bidden is, komt de Geest in de lijfelijke gedaante van een duif op hem neer (3,21v.). Hij komt in hem 'wonen'. Vervuld van de heilige Geest trekt Jezus naar de woestijn, waar hij onder zijn leiding (Willibrordbijbel: 'in geestvervoering') veertig dagen rondzwerft en met de duivel te kampen krijgt. De duivel delft in deze strijd het onderspit. Deze beslissende overwinning van Jezus toont dat de Geest die in Jezus woont machtiger is dan de macht van alle kwade geesten.


3.1. Gesterkt door de Geest (4,14) begint Jezus aan zijn publiek optreden. Het duurt niet lang eer hij te maken krijgt met de macht van demonen waarin mensen gevangen zitten. Maar de bevelende macht van zijn woord is zo sterk dat ze erdoor uit hun machtsgebied worden verdreven. In die duiveluitdrijvingen verschijnt de heilige Geest in het verhaal als "een actor in conflict met andere actoren" (W.H. Sheppherd, p. 133) en deze overwint. Jezus heeft het beschreven in een vergelijking. De bezittingen van een sterk, goed bewapend man die waakt over zijn domein, zijn veilig. Maar als iemand die sterker is hem overwint, neemt die hem zijn wapenrusting af en verdeelt hij de buit (11,21).

Door de duiveluitdrijvingen wordt Gods koninkrijk aanwezig gesteld. Dat verklaart Jezus zelf. Als ik dankzij een kracht die van God komt (de Willibrordbijbel vertaalt letterlijk: 'door de vinger van God') de demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God bij jullie gekomen" (11,20). Het is ook de kracht van de Heer die in hem werkzaam is dat hij mensen geneest (5,17; 6,19), ook zonder het zelf te beslissen (8,46). Men begrijpt ook zijn streng oordeel over hen die "lastertaal tegen de heilige Geest" uitspreken. Dat is een zonde waarvoor geen vergiffenis wordt gegeven (12,10).


§ 4. Wanneer de verzamelde apostelen op het joodse pinksterfeest ervaren dat Jezus' belofte en de voorspelling van Johannes de Doper (3,16) vervuld worden, daalt de heilige Geest op hen neer in de vorm van "een soort vlammen die zich als vuurtongen verspreidden" en worden zij op hun beurt van de heilige Geest vervuld (Hand. 2,3v.). De vuurtongen zijn het symbool van de gave der talen die ze ontvangen en het pinksterwonder is een talenwonder.

Zo begint dus Lucas' verhaal van de 'geschiedenis van de kerk'. Men zou volgens sommigen de Handelingen ook de 'handelingen van de heilige Geest' kunnen noemen. Hij is het die het verloop van het verhaal bepaalt. Dat blijkt vooral uit de passages die vertellen hoe hij als directe actor intervenieert. Hij geeft aan Filippus de opdracht naar de Ethiopiër in zijn reiswagen toe te gaan, en nadat deze de Ethiopiër had gedoopt nam de Geest hem mee (8,29.39). Hij zegt aan Petrus dat hij moet meegaan met de drie mannen die hij naar hem gezonden heeft (10,19). Ook in de missiereizen van Paulus komt de Geest direct tussenbeide. In Antiochiê vraagt hij aan enkele christenen van de gemeente dat ze hem Paulus samen met Barnabas ter beschikking zouden stellen en zendt hij hen naar Cyprus (13,2.4). In Lystra verhindert hij Paulus en Silas Gods woord te gaan verkondigen in Asia (16,6). Vanuit Efeze wil hij, "gebonden door de Geest", op weg naar Jeruzalem gaan zonder enig idee van wat hem daar te wachten staat, behalve dat Geest hem "in iedere stad verzekert dat gevangenschap en vervolging (zijn) deel zullen zijn" (20,22v.).

De heilige Geest laat zijn stem ook horen op het apostelconcilie. In hun brief aan de niet-joodse christenen van een aantal gemeenten schrijven de apostelen en oudsten wat ze eensgezind "in overeenstemming met de heilige Geest" (letterlijke vertaling: 'de heilige Geest en wij') besloten hebben. Aan niet-joodse christenen worden alleen die verplichtingen van de joodse wet opgelegd die strikt noodzakelijk zijn (15,28v.).


4.1. E‚n enkele keer gebruikt Lucas de uitdrukking 'de Geest van Jezus' (16,7). Hiermee wijst hij op de rol die Jezus in het leven van de kerk blijft spelen. Deze uitdrukking bevestigt niet alleen dat door Jezus de belofte wordt ingelost dat de leerlingen vanwege de Vader de kracht van de heilige Geest zullen ontvangen (Lc 24,49). Ze "impliceert... ook dat Jezus heeft gewerkt en verder blijft werken in de kracht en de activiteiten van de Geest". Anders gezegd: "de handelingen van de leerlingen die werken in de kracht van de profetische Geest worden geïnterpreteerd als handelingen van Jezus... De 'Geest van Jezus' is de geest die aan Jezus zelf zijn kracht geeft, en dan door Jezus wordt gegeven opdat zijn wil zou worden gedaan door zijn dienaren, de profeten" (W.H. Shepherd, p. 223).


VI. Gastvrijheid en tafelgesprekken


§ 1. Lucas hecht een bijzonder belang aan de gastvrijheid en de maaltijdgemeenschap. Verschillende keren zet hij in de verf dat Jezus aan tafel gaat met tollenaars en zondaars, tot grote ergernis van de farizeeën. Gastvrijheid ligt in de bijbelse traditie. Samen maaltijd houden is teken en waarborg van vrede en vergiffenis, van broederlijkheid, verstandhouding en verbondenheid. Als Jezus de tafel deelt met zondaars, stelt hij een teken: door hem wil God een relatie aanknopen met mensen die zich van hem vervreemd hebben. Voor hen is dit een belofte of een bevestiging van vergiffenis en een voorsmaak van het feestmaal in het voltooide koninkrijk van God.

Zoals de andere synoptici vertelt Lucas het verhaal van de tollenaar Levi die, nadat hij zich op vraag van Jezus bij de leerlingen heeft aangesloten, een groot feestmaal aanricht voor Jezus met zijn leerlingen en een groot aantal tollenaars (5,27-30). Lucas onderstreept dat tollenaars en zondaars hem regelmatig bij hen hebben uitgenodigd (15,2).

Tot de eigen stof van Lucas behoort het mooie verhaal over de rijke hoofdtollenaar Zacheüs (19,2-10; lezing van 31ste zondag). Hij klimt in een vijgenboom om Jezus die voorbijkomt te kunnen zien zonder zelf gezien te worden. Maar Jezus kijkt door de vijgenblaren heen en ziet hem. Hij roept hem naar beneden en nodigt zichzelf bij hem uit. Opmerkelijk is dat hij zegt: ik moet bij jou komen. Het is zijn opdracht vanwege God: bij marginale mensen aan huis komen. Want Zacheüs zit in de marge van de samenleving. Hij is wel rijk en als hoofdtollenaar heeft hij gezag over anderen, maar hij geldt als een zondige afperser. Net voordien heeft Jezus nog iemand uit de marginaliteit gehaald: een blinde bedelaar, die Jezus wel herkent als 'Zoon van David' maar hem wil zien (zoals (Zacheüs) en door Jezus wordt genezen. Zijn geloof heeft hem gered (18,35-43). Zacheüs wil weg uit de marginaliteit. Hij verklaart dat hij de mensen die hij afgeperst heeft rijkelijk zal vergoeden en de helft van zijn rijkdom aan de armen zal wegschenken. Hier legt Lucas een verband met de hooggeplaatste persoon die zeer rijk is en er niet in slaagt van zijn rijkdom afstand te doen om Jezus te kunnen volgen. Reactie van Jezus: "Wat is het moeilijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan" (18,24). Met Zacheüs ligt het anders. Jezus zegt tegen hem (en tegen de morrende omstanders): "Vandaag is dit huis redding ten deel gevallen."


§ 2. Maar Jezus is niet alleen te gast bij tollenaars en zondaars. Hij wordt ook aan tafel genodigd en laat zich uitnodigen door aanzienlijke en rechtgelovige heren. Hij inspireert zich op het model van de tafelgesprekken in de Griekse literatuur. Een notoir persoon, een filosoof bijvoorbeeld, wordt uitgenodigd op een feestmaal, waar zich een al dan niet geleerd gesprek of een discussie ontwikkelt. Het best bekende voorbeeld is het Symposion van Plato, maar er zijn er veel andere.


2.1. Een kluif voor exegeten (en predikanten) is het verhaal over de maaltijd bij een fazieeër waar een vrouw van lichte zeden binnenvalt en Jezus' voeten zalft (7,36-50 - lezing 11de zondag). Voor Jezus is dit voorval een gelegenheid om zijn gastheer de les te lezen. Hij doet het in de vorm van een korte parabel. De farizeeër heeft zich tegenover een povere gastheer getoond, en dat is door de vrouw gecompenseerd. In de conclusie die Jezus trekt zit een moeilijkheid. De man aan wie de grootste schuld is kwijtgescholden, toont ook de grootste dankbaarheid. Dat is logisch: dankbaarheid (liefde) volgt op kwijtschelding (vergiffenis). Van de vrouw zegt Jezus dat haar zonden haar worden vergeven omdat ze veel liefde heeft betoond. Maar dan keert hij (in de lijn van de parabel) de relatie om: "Wie weinig wordt vergeven, betoont ook weinig liefde." Blijkbaar wil Lucas dat zijn lezers de logica van de parabel volgen. Het is de logica van Gods liefde die éérst komt. "Bij de vrouw, zoals in het hele evangelie, is de liefde niet de oorzaak van de vergiffenis die haar is geschonken maar, integendeel, de consequentie van de vergiffenis" (J. Perron, p. 185).


2.2. Een andere farizeeër die Jezus aan zijn tafel nodigde kreeg van hem een wel erg onverwachte en harde les te incasseren (11,37-52). In Lc spreekt Jezus met meer nuanceringen over de farizeeën en schriftgeleerden dan in de andere evangelies. Maar hier vaart hij toch fel tegen hen uit. Ze besteden wel veel zorg de rituele reinheidsvoorschriften, maar dat is slechts de buitenkant. Hun binnenkant is "vol roofzucht en slechtheid". Typisch voor Lucas is de vermaning: "Geef liever de inhoud van beker en schotel als aalmoes." En dan volgen drie wee-spreuken, eerst aan het adres van de farizeeën en vervolgens tegen de wetgeleerden.

Verwonderlijk is het niet dat ze uitzinnig van woede waren. Ze begonnen plannen te smeden om Jezus te strikken.


2.3. Een feestmaal op de sabbat houdt bij Lucas een verwijzing in naar het afscheidsmaal van Jezus v¢¢r zijn dood en naar het 'breken van het brood' in de eucharistische maaltijden van de christengemeenten (zie Hand. 2,42; 20,7). Het is ook een vooafbeelding van het feestmaal in Gods voltooide koninkrijk. In het licht daarvan moet men het verhaal lezen over het sabbatmaal waarop Jezus door een vooraanstaand farizeeër werd uitgenodigd (14,1-24 - gedeeltelijk lezing op 22ste zondag).

De verwijzing naar het feestmaal van Gods koninkrijk wordt uitdrukkelijk gemaakt door een van de genodigden. "Gelukkig al wie zal deel nemen aan de maaltijd in het koninkrijk van God!" (14,15). Jezus begint met een man te genezen van zijn waterzucht, net zoals hij kort voordien op een sabbat een vrouw had genezen. Ze werd van haar 'verlost', staat er letterlijk. (13,10-17). Nu komt er geen protest van de genodigde farizeeën. Daar is een reden voor. Die sabbat-genezing is een 'parabelwonder' van Gods koninkrijk. De sabbat is een vierende herinnering aan de bevrijding (verlossing) uit Egypte (zie Deuteronomium 5,15), de dag waarop de voltooiing van de schepping wordt gevierd (Exodus 20,11).

Jezus vertelt de genodigden twee gelijkenissen. De eerste lijkt een stukje banale levenswijsheid te zijn. Ga als gast op een feestmaal niet direct aan de eretafel zitten, want het zou kunnen gebeuren dat je plaats moet ruimen voor een belangrijkere gast. Kies een plaats achteraan, dan zal de gastheer je hogerop plaats doen nemen. Maar dat er meer achter zit, blijkt uit de conclusie. Het is een spreuk die we in de evangelies verschillende keren tegenkomen. Wie zich verhoogt, zal vernederd worden en wie zich vernedert, zal verhoogd worden. Door God. God gebruikt andere maatstaven dan de mensen, hij keert hun rangorde om. Zo staat het al in het Magnificat: heersers stoot hij van hun troon wie gering is geeft hij aanzien. Waarschijnlijk zit in de gelijkenis ook een kritische noot betreffende sommige praktijken in de maaltijdvieringen van de christen gemeenten. In de kerk tellen geen rangen en standen en zijn er geen ereplaatsen of voorbehouden plaatsen.

In dezelfde lijn ligt het advies van Jezus aan zijn gastheer. Als het feestmaal dat u op de sabbat organiseert een voorafbeelding is van Gods koninkrijk, nodig dan geen mensen uit die u op hun beurt voor een feest zullen uitnodigen, maar armen, kreupelen, verlamden en blinden.

De tweede parabel is Lucas' eigen versie van verhaal dat ook in Mt. 22,1-14 staat (lezing van 28ste zondag, A-jaar). Op het feestmaal van Gods koninkrijk worden velen uitgenodigd. Maar er zijn er die ervoor bedanken omdat meer belang hechten aan hun geld en goed en hun familierelaties. Ze sluiten zichzelf uit en wekken de woede van de heer op. In hun plaats doet de heer allen zonder onderscheid naar het feest komen die in de wereld niet meetellen, en "met klem" ook de mensen van de wegen en heggen, de heidenen (Ph. Noël, p. 1640).


2.4. Jezus ging ook bij vrouwen aan huis. Een mooi voorbeeld is het verhaal over de maaltijd bij Marta en haar zus Maria. Dit wordt in een volgend hoofdstukje besproken.


VII. Jezus en de vrouwen


§ 1. Lucas staat bekend als de 'vrouwvriendelijke' evangelist. Dat ziet men alleen al aan zijn opvallende gewoonte om aan een verhaal waarin een man centrale rol speelt een verhaal over een vrouw te koppelen. In de kindsheidsverhalen komt na de boodschap aan Zacharias de boodschap aan Maria. Lucas had ook, zoals Matteüs, de engel met de boodschap over de goddelijke tussenkomst in de conceptie van Jezus naar Jozef kunnen sturen. Bij de toewijding van Jezus in de tempel komt na de ziener Simeon de profetes Hanna over Jezus getuigen. Aan het begin van zijn publieke optreden geneest Jezus de schoonmoeder van Petrus nadat hij een man van een onreine geest had bevrijd. Na de genezing van de zoon van de Romeinse centurio reanimeert hij in Na‹n de enige zoon van een weduwe en in het verhaal over de opwekking van de dochter van Ja‹rus vertelt Lucas hoe op weg naar het meisje een vrouw geneest die al jaren aan bloedverlies leed. Aansluitend bij de gelijkenis over het mosterdzaadje komt die over de huisvrouw die zuurdesem in het meel vermengt. In de reeks van drie parabels over Gods barmhartigheid vertelt Jezus over een vrouw die op zoek gaat naar een verloren muntstuk na het verhaal over de herder die op zoek gaat naar het ene verloren schaap.


§ 2. Sterker dan de andere evangelisten zet Lucas in de verf dat veel vrouwen samen met de apostelen overal met Jezus mee trokken op zijn tochten door stad en land. Enkelen, die hij genezen had of van onreine geesten bevrijd, worden met name genoemd. (Matteüs en Marcus vermelden dit pas aan het einde van hun evangelie.) Het moeten welgestelde vrouwen geweest zijn: ze zorgden uit eigen middelen voor Jezus en zijn apostelen (8,1-3). Misschien is het geen vermetele veronderstelling dat er ook vrouwen waren bij de tweeënzeventig volgelingen die hij op een bepaald moment voor zich uit heeft gezonden (10,1). Eigen aan Lucas is de vermelding van de treurende vrouwen op de weg van Jezus naar Golgota (23,27-31). Hij verschilt niet van de andere synoptici in zijn beschrijving van de rol die vrouwen gespeeld hebben als getuigen van Jezus' opstanding uit de dood.


2.1. Dat Jezus vrouwen waardeerde, maakt Lucas onrechtstreeks duidelijk in zijn eigen parabel over de weduwe en de corrupte rechter (18,1-8 - lezing van 29ste zondag). De strekking van het verhaal is dat christenen in de verdrukking erop mogen rekenen dat God hen spoedig zal verhoren als ze hem door hun gebed lastig blijven vallen. Dit is vergelijkbaar met 11,5-8: de vriend in nood die blijft aandringen (lezing van 17de zondag). Hier wordt het door Lucas geïllustreerd met het voorbeeld van een koppige weduwe. Zeker in Jezus' tijd hadden weduwen het niet onder de markt. Liefdadigheid tegenover weduwen, meestal in één adem genoemd met wezen en vreemdelingen, was wel door de joodse wet voorgeschreven. Volgens de wet hadden ze er recht op, maar gunsten kun je niet eisen, je moet ze krijgen. Weduwen moesten zwijgen en dulden en konden alleen hopen. Maar de weduwe van de parabel was anders. Ze liet zich niet in de hoek duwen. Ze wist dat ze God aan haar kant had. Zo staat het in de bijbel: "Jahwe doet recht aan weduwen en wezen, en aan vreemdelingen bewijst hij zijn liefde" (Deuteronomium 10,18). Ze wees de rechter op zijn plicht, ze bleef koppig aandringen tot hij haar eindeloze klagen en zeuren niet meer uithield en haar gehoor gaf en recht verschafte. Een model voor vrouwen die opkomen voor hun rechten en op hun stuk staan.


2.2. Zijn visie (en die van Jezus) op de positie en de rol van de vrouw vat Lucas mooi samen in het verhaal over Marta en Maria als gastvrouwen van Jezus (10,38-42 - lezing van 16de zondag). Of hij met die twee vrouwen de zussen van Jezus' vriend Lazarus uit het Johannesevangelie (11,1-44) bedoelt, weten we niet. Misschien niet, want hij situeert het verhaal niet in de buurt van Jeruzalem. Merkwaardig is dat het verhaal eindigt v¢¢r Jezus aan tafel gaat. Terwijl Marta in de keuken bezig is, zit Maria aan de voeten van Jezus naar hem te luisteren. Dat is de klassieke houding van de leerling (zie 8,35; Hand. 22,3). Maar hier gaat het om een vrouw. Marta maakt zich de spreekbuis van de traditionele opvatting over de rol van vrouwen: haar zus moet haar helpen bij het dienstwerk. In Hand. 6,2-4 vertelt Lucas over een zelfde tegenstelling tussen de dienst van het woord en de diakonia van de tafeldienst. Men mag de twee niet tegen elkaar uitspelen, maar Maria, zegt Jezus, heeft gekozen voor het beste deel, het enige dat noodzakelijk is. "Dat zal haar niet worden ontnomen." Mogen we dit niet zien als een duidelijke stellingname, "tegen de vele christenen die, zoals Marta, moeilijk kunnen aanvaarden dat een vrouw het Woord beluistert en deelneemt aan de dienst van de verkondiging?" (H. Cousin, p. 160).


VIII. Eigen parabels


§ 1. In Lc staat een 15-tal eigen parabels en gelijkenissen. Er komen thema's in aan bod die Lucas bijzonder dierbaar zijn.

'Parabel' gebruiken wij meestal in de algemene en vage zin van het woord, zonder onderscheid te maken tussen de verschillende soorten verhalen. Vooral twee soorten zijn belangrijk.

(1) Een gelijkenis is, zoals het woord zegt, een vergelijking. Ze heeft een beeldhelft en een zaakhelft. De zaakhelft is de toepassing en wordt vaak ingeleid met 'zo' of 'zo ook', bv. in de gelijkenis van het verloren schaap: "Zo zal er vreugde zijn in de hemel..." (15,7). Een inleidingsformule kan die functie overnemen, bv.: "Waarop lijkt het koninkrijk van God en waarmee zal ik het vergelijken?" (13,18). Door de expliciete toepassing of inleiding weet men wat precies met het beeld bedoeld wordt. De beeldhelft is soms geen eigenlijke vertelling, soms wel. Hij beschrijft of vertelt een typisch, regelmatig terugkerend, ofwel een verrassend gebeuren.

(2) Een parabel in de strikte zin is meestal een uitgedacht verhaal. Hij vertelt iets ongewoons, waar de toehoorders/lezers van opkijken. Hij is gesteld in een 'performatieve' taal: ze interpelleert en provoceert de toehoorders/lezers, dwingt hen tot een stellingname. Veel parabels worden door Jezus verteld in een situatie waarin zijn gezichtspunt verschilt van dat van zijn toehoorders. Hij stelt dit verschil aan de orde, niet door te discussi‰ren maar door een verhaal. Een mooi voorbeeld is de parabel van de farizeeër en de tollenaar, verteld "met het oog op sommigen die zichzelf rechtvaardig vinden en anderen minachten" (18,9).

De luisteraars/lezers staan telkens voor de vraag met welk personage van het verhaal ze zich kunnen, moeten of mogen identificeren. Met God (de heer, de koning, de vader met twee zonen...) kunnen ze uiteraard niet identificeren. Maar ze worden wel geprovoceerd om zich vragen te stellen over het beeld dat ze hebben van God en over hun relatie tot God (en Jezus).


§ 2. Drie bij elkaar aansluitende parabels vertellen over Gods barmhartigheid (15,1-32 - lezing van 24ste zondag). In de drie verhalen moet het gedrag van de hoofdpersoon de toehoorders/lezers verrassen. Zoiets doen redelijke mensen toch niet! De herder laat al zijn schapen in de steek om één verloren schaap te gaan zoeken. De vrouw keert haar huis ondersteboven om een verloren drachme te zoeken en roept haar buren en vriendinnen bijeen om met hen de vreugde van haar vondst te delen. En welke vader zal zijn zoon die een groot stuk van het familiebedrijf heeft verkwanseld, zonder vragen of bedenken in de armen sluiten als die terugkeert en hem dan nog met een groot feest verwelkomen? Dat is de grote verrassing. God is altijd anders dan we denken. Hij gedraagt zich als een domme herder, als een hysterische vrouw, als een sentimentele vader.


2.1. In de parabel van de verloren zoon zit een provocerend trekje. Hij heeft een open einde. We komen niet te weten of de oudste zoon op vraag zijn vader toch aan het feest heeft deelgenomen, ofwel is blijven weigeren. Toehoorders/lezers identificeren zich spontaan met die oudste zoon. Ze worden geprovoceerd. Zouden zij mee gaan feestvieren? Zijn ze bereid God te aanvaarden zoals hij in het verhaal wordt voorgesteld en dat hij iemand die straf verdient met feestelijke vreugde in zijn armen sluit?


2.2. "Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is" (6,36). Matteüs (5,48) schrijft hier twee keren 'volmaakt'. Voor Lucas bestaat Gods volmaaktheid in zijn barmhartigheid. Mensen moeten er zich op toeleggen hem daarin te evenaren. Zo deed het de barmhartige Samaritaan (10,30-37 - lezing van 15de zondag). Provocerend in deze parabel is dat het niet de priester noch de Leviet was maar uitgerekend een Samaritaan die zich over de beroofde en gekwetste man ontfermde. Deze parabel is geschreven in het genre van het voorbeeldverhaal, bij wijze van antwoord op de vraag van een wetgeleerde. De conclusie is een aansporing. Al bent u een wetgeleerde jood, neem een voorbeeld aan de Samaritaan en doe voortaan net zo. Zoek niet naar de wettelijke definitie van wie uw naaste is, maar gedraag u zèlf als naaste van mensen in nood.


§ 3. In verschillende parabels komt een ander thema aan bod dat Lucas bijzonder ter harte gaat: de armoede en de omgang met geld en goed. Dit wordt in een apart hoofdstukje besproken.


IX. Armoede, rijkdom en gerechtigheid


§ 1. Centraal in Lc staat de idee dat het evangelie het goede nieuws voor de armen is. Jezus zegt het in zijn opdrachtverklaring: hij is gezalfd en gezonden om aan armen het goede nieuws te brengen (4,18-21). Zijn moeder zingt het uit in haar Magnificat: "Heersers staat hij van hun troon en wie gering is geeft hij aanzien" (1,52). In Lucas' versie van de zaligsprekingen (felicitaties) zijn het niet de armen van geest (NBV: 'nederig van hart') maar gewoon de armen die worden gelukgewenst omdat Gods koninkrijk voor hen is (6,20). In de zaligsprekingen bij Mt is armoede (of nederigheid) een morele en religieuze houding. Bij Lc zijn de armen niet de vrome en nederige 'armen van Jahwe', zoals die bv. aan het woord komen in sommige psalmen. Het zijn de mensen in een situatie van maatschappelijke armoede, de mensen die niet meetellen, ook niet in religieus opzicht, die niet over de mogelijkheden en middelen beschikken om een volwaardig leven te leiden. 'Afhankelijkheid' zou een goede vertaling kunnen zijn, of 'kansarmoede'. Vandaar ook dat armen vaak in ‚‚n adem genoemd worden met weduwen en wezen, en met vrouwen in het algemeen.


1.1. Dat armoede afhankelijkheid betekent, kan verklaren waarom Lucas zo veel aandacht besteedt aan het geven van aalmoezen en, meer algemeen, aan het weggeven en uitdelen van wat men bezit. Hij spreekt er in radicaler termen over dan de andere evangelisten.

In zijn uitval tegen de obsessie van de farizeeën voor rituele reinheid zegt Jezus, dat ze beter de hele inhoud (niet wat ervan overschiet) als aalmoes zouden weggeven. "Dan is niets meer onrein voor jullie" (11,41). Als hij het heeft over het onvoorwaardelijke Godsvertrouwen, voegt hij er in Lc aan toe: "verkoop je bezittingen en geef aalmoezen" (12,33), om in de hemel een schat te verwerven die niet opraakt. Aan de rijke man die zegt dat hij alle geboden onderhoudt (en vraagt wat hij meer kan doen: Mt 19,20) antwoordt Jezus dat hem nog één ding ontbreekt: "Nog één ding ontbreekt u. Verkoop alles wat u hebt en verdeel Mt 19,21: "geef") de opbrengst onder de armen" (18,22). In Mt 19,21 staat er: "Als je volmaakt wilt zijn". Voor Lucas gaat het om iets dat aan de man mankeert om Jezus te kunnen volgen. Jezus had het al eerder tegen de mensen rond hem gezegd, aansluitend bij de gelijkenissen van de torenbouwer en de koning met oorlogsplannen (14,28-33 - onderdeel van de lezing van 23ste zondag. "Wie (van jullie) geen afstand doet van al zijn bezittingen, kan mijn leerling niet zijn."


§ 2. In Lc volgt op de zaligsprekingen een reeks wee-spreuken (6,20-26 - lezing van 6de zondag). "Wee jullie die rijk zijn en nu verzadigd zijn, jullie hebben je deel al gehad en ja zult honger lijden." Volgens Bouwman (1976, p. 70vv.) moeten we dit lezen in de lijn van de 'compensatietheologie' die de eerste gemeenten van christenen heeft geholpen om een antwoord te vinden voor het probleem dat het uitblijven van het einde der tijden opriep (zie deel I, II,3.3.). Zolang het voltooide koninkrijk van God op zich liet wachten, waren zijn beloften niet vervuld. De armen bleven arm en moesten honger lijden, de rijken bleven rijk en konden zich overvloedig verzadigen. Maar na hun dood zou de omkering gebeuren: de armen zouden gecompenseerd worden voor hun lijden op aarde en voor de rijken zou de compensatie zijn dat het lot van de armen hun te beurt viel.

Men moet durven toegeven dat een dergelijke 'compensatietheologie' in de kerkelijke prediking vaak is toegepast. De boodschap luidde, kort samengevat: nu bent u wel arm en moet u in verdrukking leven, maar dat is niet erg, het duurt maar zo lang als het leven duurt. Dan komt de hemel. Zij die echt te beklagen zijn, zijn de rijken en de machtigen. Nu hebben ze het wel goed, maar aan het einde van hun leven hebben ze al hun geluk opgebruikt. Gelukkig de armen, ocharme de rijken... Het is tegen deze versie van de 'compensatietheologie' dat Karl Marx hartstochtelijk heeft gevochten. Tegen een godsdienst die de rol speelde van 'opium van het volk'. Godsdienst als vlucht uit de ellende van de werkelijke naar een imaginaire wereld.

Men kan Lucas echter ook anders lezen zonder de tekst geweld te doen. Rijken zijn te beklagen omdat (in zover) ze door hun rijkdom worden opgesloten in hun zelfgenoegzaamheid, doof voor de oproep om er afstand van te doen terwille van Gods koninkrijk, of niet bij machte om er gehoor aan te geven. Dit laatste was het geval van de rijke man die te horen kreeg wat hem nog ontbrak (zie hierboven). Hij ging diepbedroefd heen, want hij was zeer rijk. Jezus zag dit als een bevestiging van het feit dat het voor rijken uiterst moeilijk was om Gods koninkrijk binnen te gaan (18,24v.). Zuiver menselijk gezien kan het zelfs onmogelijk zijn, maar bij God is het menselijk onmogelijke nog altijd mogelijk (18,27).


2.1. De parabel van Lazarus en de rijke man (16,19-31 - lezing van 26ste zondag) lezen we spontaan als een sprekend voorbeeld van de 'compensatietheologie'. Maar wie aandachtig leest, ziet dat dit onterecht mag worden genoemd. Onterecht is, om te beginnen, dat de rijke man een rijke vrek wordt genoemd. Dat was hij zeker niet, want een vrek viert niet elke dag uitbundig feest. Er wordt ook nergens gezegd dat hij de bedelende Lazarus niets zou gegund hebben. Dat hij in het dodenrijk hevig gekweld werd, lag niet aan het feit dat hij een moreel verwerpelijk leven zou geleid hebben. In het verhaal wordt hem niets verweten. De reden waarom hij na zijn dood werd gekweld, wordt gegeven door de 'compensatietheologie'. Zijn deel van het goede heeft hij al tijdens zijn leven ontvangen, terwijl Lazarus na zijn dood gecompenseerd werd voor zijn ongelukkig leven.

Maar dat is niet de hoofdgedachte van de parabel. Zoals dikwijls in parabels zit ook hier de pointe in het slot. De rijke man smeekte Abraham dat hij zijn broers door een boodschap vanuit de hemel zou laten waarschuwen. Abraham antwoordde: ze moeten maar luisteren naar de wet en de profeten. We mogen eraan toevoegen: er is het evangelie dat Jezus verkondigt, daar zouden ze moeten naar luisteren, maar voor rijken is dat uiterst moeilijk.


2.2. Een zelfde strekking heeft de gelijkenis van een zelfvoldane en zorgeloze rijke boer (12,16-21 - lezing van 18de zondag). God noemt hem een dwaas. Misschien mogen we dit verstaan in de zin van psalm 14,1: "De dwazen beweren: er is geen God." Hij is goddeloos omdat hij alleen met zijn geld bezig is en geen oog heeft voor God (zie 16,13). De gelijkenis dient als illustratie van een vermaning van Jezus, die nog eens herhaald wordt in een conclusie waardoor de gelijkenis het karakter krijgt van een voorbeeldverhaal. Zoals het de rijke boer verging, vergaat het iedereen die schatten verzamelt voor zichzelf maar niet rijk is voor God. Pas op, hoed je voor iedere van hebzucht! (12,21.15).


2.3. Ronduit provocerend is de parabel van de gewiekste rentmeester (16,1-13 - lezing van 25ste zondag). Hij verkwistte de eigendommen van zijn heer, werd afgedankt, maar trok zich uit de slag door mensen om te kopen en schriftvervalsing te plegen, en werd hierom door zijn heer geprezen. Natuurlijk werd zijn corrupt gedrag niet geprezen. Geprezen werd zijn sluwheid. Hij verstond de kunst om op zo'n manier met geld om te gaan dat hij zich vrienden maakte in zijn nood. Daar gaat het om: maak je zulke vrienden met behulp van de valse mammon, dat je wordt opgenomen in de eeuwige tenten. We kunnen dit verstaan in de lijn van Lucas' geliefde thema. Maak je de armen tot vriend door je bezit onder hen uit te delen (zie hierboven). Maar dat gaat eigenlijk niet, want de rentmeester maakte vrienden met geld dat niet het zijne was, maar dat van zijn heer. De 'zedenles' van deze parabel heeft een bredere strekking. Ze betreft, kort gezegd, de christelijke creativiteit die we aan de dag moeten leggen in de omgang met het geld en goed waarover we kunnen beschikken.


§ 3. In het ideaalbeeld van de eerste gemeenschappen van christenen dat Lucas in Hand. 2,44v. tekent, keren ongeveer dezelfde formules terug als in de oproep van Jezus aan wie zijn leerling wil zijn: afstand doen van alle bezittingen (Lc 14,33) en de opbrengst uitdelen onder de armen (Lc 18,22). De christenen bezaten alles gemeenschappelijk. Allen verkochten ze alles wat ze bezaten en de opbrengst werd onder hen die iets nodig hadden. Men heeft dit het christelijke liefdescommunisme genoemd. Maar het vervolg leert dat het er in de werkelijkheid niet zo ideaal aan toeging. In Hand. 4,32-35 staat dat (alleen) zij die een huis of een stuk grond hadden, dit verkochten om de opbrengst door de apostelen onder de gelovigen te laten verdelen naargelang van ieders behoefte. Zo was er niemand die enig gebrek leed. In de twee voorbeelden die dan beschreven worden, gaat het alleen over een stuk grond. Het geval van Ananias en Saffira, die apostelen bedrogen (5,1-10) maakt duidelijk dat grond of een huis verkopen niet werd beschouwd als een verplichting en, bovendien, dat men met de opbrengst van een verkoop kon doen wat men zelf wilde.

Dit doet uiteraard niets af aan het ideaal dat Lucas aanprijst. Beschouw niets van wat je persoonlijk bezit is als exclusief van jou. Doe het renderen ten bate van de gemeenschap en zorg er vooral voor dat de armen uit hun armoede kunnen worden gehaald.

Armen zijn er altijd bij jullie, zei Jezus tegen zijn leerlingen zich ergerden over de verspilling van kostbare olie waarmee een vrouw zijn hoofd had gezalfd en die ze beter had verkocht om het geld aan de armen te geven (Mt. 26,11; Mc 14,7). In Lc is deze passage niet te vinden. Sprekend in de lijn van Lucas zouden we kunnen zeggen: inderdaad, er zullen altijd wel armen bij ons zijn, maar het is aan ons om ervoor te blijven zorgen dat hun aantal zo klein mogelijk is.

_____________________________________________________________________________________________________

Gebruikte literatuur

R.J. Allen, Preaching Luke-Acts. Saint-Louis, 2001

G. Bouwman, De derde nachtwake. Lannoo, Tielt, 1968

--- Met Lukas op weg. Averbode, 1976

H. Cousin, L'‚évangile de Luc. Centurion, Parijs, 1993

J. Dupunt e.a., La pauvreté évangélique. Cerf (Lire la Bible 27), Parijs, 1971

D. Juel, Luc-Actes. La promesse de l'histoire. Cerf (Lire la Bible 80). Parijs, 1987

Ph. Noël, Lucas, in E. EYNIKEL e.a. (red.), Internationaal commentaar op de bijbel, deel II. Averbode, 2001,p. 1588-1667

J. Perron, Au fil de l'année: l'Evangile, les dimanches de l'année C. Cerf (Lire la Bible 50), Parijs, 1979

P. SCHMIDT, Woord van God - boek van mensen. Altiora, Averbode, 1990, p. 158-180

H. Schürmann, Das Lukasevangelium. Herders Theologischer Kommentar zum Neuen Testament. Herder, Freiburg, 1969

W.H. Shefferd jr., The narrative function of the holy Spirit as a character in Luke-Acts. Atlanta, 1994