Get Adobe Flash player
Get Adobe Flash player

I. Opzet


1.1. Bij het lezen en uitleggen van het Marcusevangelie (Mc) is het van belang in gedachten te houden voor wie en wanneer het geschreven is. Men neemt aan dat het geschreven is rond het jaar 70 voor kleine gemeenschappen van christenen die niet van joodse afkomst waren, waarschijnlijk in Rome. Het was toen voor hen een moeilijke tijd. Ze hadden het, aan de ene kant, te verduren vanwege de Romeinen (denk aan keizer Nero) en ondervonden aan de andere kant ook veel last vanwege de joden. Daarbij hadden ze ook af te rekenen met interne conflicten. Gelezen tegen deze achtergrond valt er een eigen licht op een aantal passages dat toont hoe men ze het best verstaat.

Maar belangrijker is dat men niet vergeet dat Mc het eerste evangelie is. De anonieme auteur die we sinds de 2de eeuw Marcus noemen heeft een nieuw literair genre geschapen. Hij schreef een nieuw soort boek dat hij 'evangelie' noemde. Hij gaf dit boek een titel die samenvat waar het over gaat: "het evangelie van Jezus Christus, Zoon van God" (1,1). We moeten Mc lezen als een boek, zoals je een roman leest.1 Het boek is een levensverhaal van Jezus dat vertelt wat hij gezegd en gedaan heeft en wat er met hem is gebeurd. Van bij het begin kennen de lezers zijn identiteit: 'Christus, Zoon van God', maar al lezend ondervinden ze dat ze hun vooropgezette ideeën (als ze die hebben) over wat die namen betekenen, moeten loslaten en tot helemaal aan het einde moeten voortlezen om tot een juist begrip te komen. Pas aan het einde, als Jezus net gestorven is, kunnen ze begrijpen wat de Romeinse centurio zegt: "Werkelijk, deze mens was Gods Zoon" (15,39).2


1.2. Mc lezen als een boek: het lijkt veel eenvoudiger dan het is. Mc bestaat grotendeels uit een reeks meestal korte, min of meer zelfstandige verhalen die door de evangelist op het eerste gezicht nogal stuntelig aaneen zijn genaaid. Men kan ze gemakkelijk uit het boek losmaken en ze goed gebruiken als lezingen in zondagsvieringen. Maar zo wordt natuurlijk Mc niet gelezen als een boek, waarin elk afzonderlijk verhaal een eigen plaats en functie heeft in de voortgang en de wendingen van het gehele verhaal. In homilieën preekt men dan ook over de afgezonderde verhalen en is het verre van eenvoudig hun volle (soms echte) betekenis in het geheel van Mc aan bod te laten komen.

Nu laat Mc zich wel degelijk lezen als een boek. Wie aandachtig leest, zal merken dat het zorgvuldig en ingenieus geconstrueerd is. We mogen in die zin de evangelist een echte 'romancier' noemen. Zijn boek is natuurlijk geen 'fictie': product van zijn verbeelding. Het behoort tot het genre van de 'historische roman'. Door de structurering van zijn verhaal haalt de evangelist - zoals een goed historicus - de interne samenhang van de gebeurtenissen naar voren en toont hij de lezers welke betekenis hij eraan geeft. (Zie P. Schmidt, p. 134.) We kunnen ook spreken van een 'roman à thèse'. Marcus wil de lezers door zijn verhaal ervan overtuigen dat en hoe het voor hen een 'evangelie', d.w.z. een verheugende boodschap is, en dat en hoe het hoofdpersonage, Jezus van Nazareth, in de titel van het verhaal terecht als 'Christus, Zoon van God' wordt gepresenteerd.


1.3. Wie goed wil preken over een passage uit Mc moet een voldoende inzicht hebben in de structuur en de samenhang van het boek en er in zijn homilie rekening mee houden. Dat is, zoals gezegd, geen eenvoudige zaak. Deze presentatie van Mc is bedoeld om predikanten daarbij te helpen.


II. Leeswijzers


2.1. De structuur van Mc oogt zeer eenvoudig. Na een proloog (1,2-13) die Jezus aan de lezers voorstelt (liturgisch opgedeeld in twee afzonderlijke lezingen: 2de adventszondag en 1ste vastenzondag!), speelt een eerste deel van het verhaal zich af in Galilea en omstreken (1,14-8,26). Een tweede deel vertelt wat er gebeurt op weg naar Jeruzalem (8,27-10,52). Het derde deel speelt zich af in Jeruzalem en wordt afgesloten met de dood van Jezus (11,1-15,47). Maar dit einde is een open einde. Er volgt nog een epiloog, die de lezers terug naar Galilea verwijst (16,1-8).

In de 2e eeuw is aan deze epiloog een stuk toegevoegd, waardoor het abrupte einde van de oorspronkelijke tekst wordt aangevuld.

In al haar eenvoud geeft deze geografische structuur de lezers belangrijke aanwijzingen over hoe ze het verhaal moeten begrijpen.


2.1.1. Tot hij aankomt in Jeruzalem trekt Jezus voortdurend rond en steekt hij ook grenzen over naar 'heidense' streken. Jezus is altijd op weg. Mc is het verhaal van de 'weg van Jezus' en van hen die in hem geloven en bereid zijn hem te volgen.


2.1.2. Er zit in het verhaal een duidelijke tegenstelling tussen Galilea in Jeruzalem. Galilea, vanuit Jeruzalem gezien een minderwaardig 'buitengebied', is het toneel van Jezus' toenemend succes ook bij de 'heidenen', ondanks alle tegenstand die hij ontmoet. Die streek "staat symbool voor een religie die bereikbaar is voor gewone mensen" (G. Van Oyen, p. 75). Jeruzalem daarentegen, het centrum van het officiële jodendom waar de religieuze en wereldlijke autoriteiten de macht met elkaar delen, verschijnt als de plaats van ongeloof, afwijzing, verraad en verwerping. Hier manifesteert zich ook de tegenstelling tussen joden en heidenen die we in alle evangelies vinden en die voor Jezus fataal is geworden. (Zie P. SCHMIDT, p. 135.) Naarmate Jezus dichter bij dit centrum komt, "stijgt de spanning van het dreigende gevaar". - "Het kan niet anders dan dat de lezer ook hierdoor beïnvloed geraakt. Jezus heeft een eigen manier van omgaan met God die anders is dan de gangbare officiële praktijk" (G. Van Oyen, p. 76).


2.2. Typisch voor Mc zijn de zgn. summaria: samenvattende berichten. We treffen er een tiental aan. Ze staan tussen aparte verhalen en beschrijven kort in algemene termen dat Jezus nog veel dingen gedaan of gezegd heeft in de aard van de vertelde verhalen. Ze hebben op de lezer een versterkend effect. G. Van Oyen (p. 97) ziet ze als een geloofsbelijdenis van de evangelist: Jezus is de bevrijder die in genezingen en duiveluitdrijvingen het evangelie metterdaad waarmaakt en zijn apostelen in staat stelt om dit ook te doen (zie het bericht in 6,12v.).


2.3. Een belangrijke rol spelen in Mc de talrijke vragen (meer dan 100): vanuit 'de menigte' (de mensen die Jezus bezig zien en horen), van zijn tegenstanders, van zijn leerlingen, van Jezus zelf. De meeste hebben betrekking op de identiteit van Jezus. "Wie is toch deze man?" Vaak zijn het vragen die ook bij de lezer opkomen. Ze brengen dynamiek in het verhaal. Ze stimuleren de lezer om verder te lezen tot hij het antwoord krijgt.

Op een belangrijk moment in het verhaal vraagt Jezus zelf aan zijn leerlingen wat de mensen over hem zeggen. Hij krijgt uiteenlopende antwoorden. Dan vraagt hij hen op de man af: "Wie ben ik volgens jullie?" - "De messias", antwoordt Petrus zonder aarzelen (8,29). Maar uit het vervolg blijkt dat hij niet goed begrijpt wat hij heeft gezegd. En bij de lezer moet hier de vraag opkomen waarom Jezus zijn leerlingen streng verbiedt daar met iemand over te spreken.


III. De vertelde wereld


3.1. In de vertelde wereld van Mc (het wereldbeeld van de evangelist en van zijn oorspronkelijke lezers) staan de gebeurtenissen die zich tussen mensen afspelen onder de invloed van wat er gebeurt op het niveau van de hemelse wereld, waar God en de engelen en demonen thuis zijn.

We zien het al aan het begin van het verhaal. Op het moment dat Jezus bij zijn doopsel in de Jordaan uit het water omhoogkomt, hoort hij een stem (van God) uit de hemel die hem meedeelde: "Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde. De Geest die hij op zich ziet neerdalen en die van hem bezit neemt, drijft hem meteen de woestijn in. Uit kracht van die Geest en dankzij de engelen ('reine geesten') die voor hem zorgden, heeft hij de strijd met Satan, de vorst van de 'onreine geesten', gewonnen (1,10-13). Toen hij stierf, heeft hij de Geest (met een hoofdletter?) weer uitgeblazen, met "een luide kreet" (15,37).

In de NBV is deze betekenis verdwenen achter een 'moderne', profane weergave: Jezus "blies de laatste adem uit".


3.1.1. Het verhaal van Jezus' publieke optreden is nog maar net begonnen als de evangelist vertelt hoe Jezus al meteen de strijd met de onreine geesten (demonen) aanbindt. Een onreine geest waardoor een man bezeten is, opent de aanval. "Ik weet wel wie je bent, de heilige van God." Jezus legt hem het zwijgen op en bevrijdt de bezeten man (1,23-26).

"Bij bezetenheid moet men zich de bezeten mens voorstellen als een huis, waarin de geest of demon zijn intrek neemt... De bezeten mens is als het ware het slagveld waarop de geest die die mens bezit en de exorcist met zijn geest strijden om de heerschappij. De sterkste is de partij met de meeste geestkracht" (W. Klamer, p. 122).


3.1.2. Ook in 'heidens gebied' bevrijdt Jezus mensen uit de macht van demonen. Telkens verbiedt hij de demonen bekend te maken wie hij is (zie 5,11v.).

Een opmerkelijk verhaal vertelt hoe Jezus weigert de dochter van een Griekse vrouw van Syro-Fenicische afkomst van een onreine geest te bevrijden (7,25-30). Zijn motivering klinkt beledigend voor de vrouw. Je pakt de kinderen geen brood af om het aan de honden te voeren. ('Eigen volk eerst'!) Maar de vrouw dient hem van antwoord en Jezus 'bekeert' zich. Hij bevrijdt het bezeten meisje.


3.1.3. Het is duidelijk wat de evangelist zijn lezers wil inprenten. Er is een nieuwe tijd aangebroken waarin het koninkrijk van God nabij is (1,15). Die nabijheid toont zich in het optreden van de Zoon, de heilige van God die door zijn geestkracht mensen bevrijdt uit de macht van het kwaad. Zo bewerkt hij ook dat Gods koninkrijk alle grenzen doorbreekt. "De beperkingen die het farizeese heiligheidssysteem oplegt aan de omgang tussen joden en heidenen (zie de discussie met de farizee‰n over de reinheidswetten: 7,1-23)... worden doorbroken. De offensieve heiligende kracht die volgens Marcus zo kenmerkend is voor het optreden van Jezus, wordt door toedoen van de vrouw ontketend" (W. Klamer, p. 144).


3.2. Het wereldbeeld van hedendaagse lezers is anders dan de vertelde wereld waarin de evangelist hen meeneemt. Als ze betekenis willen geven aan wat hij vertelt over de actieve rol die hemelse wezens spelen in wat zich op aarde afspeelt, moeten ze die op een ander niveau zoeken dan het letterlijk verstaan van de tekst. "Hoe we het precies in moderne woorden moeten interpreteren is niet eenvoudig, maar de sturende boodschap van de verteller is duidelijk: wat gebeurt door de komst van Jezus, heeft een diepe betekenis die de bestaande opvattingen over God en zijn relatie tot de wereld grondig door elkaar schudt" (G. Van Oyen, p. 77).


IV. De leerlingen


Een duidelijk accent van Marcus is dat hij Jezus bij zijn aankomst in Galilea onmiddellijk laat beginnen met het recruteren van vier leerlingen en even later nog een vijfde. De evangelist zegt aan zijn lezers al aan het begin van zijn verhaal dat Jezus volgelingen nodig heeft om Gods koninkrijk te doen komen. Jezus "is niet gekomen om in zijn eentje een individuele prestatie te leveren... Hij gaat ervan uit dat zijn taak zo groot is dat de hulp van medewerkers noodzakelijk is" (G. Van Oyen, p. 153).


4.1. De roeping van de leerlingen kan niet korter verteld worden dan Marcus het doet. Jezus vraagt de vissers (de tolbeamte) met hem mee te gaan, zij volgen hem onmiddellijk en laten alles achter ('keren zich om'). Hij belooft hun dat hij van hen vissers van mensen zal maken, zonder enige uitleg van wat dit betekent. Wat dit betekent, leren ze gaandeweg (ze worden 'leerling') door met hem overal mee te trekken en hem aan het werk te zien.

Naarmate Jezus meer succes kent, maar ook meer in botsing komt met zijn tegenstanders, werft hij meer leerlingen aan. Er zijn ook vrouwen die hem volgen (15,41). Twaalf van zijn leerlingen die hij als apostel had aangesteld, zendt hij uit om nu zelf ook door woord en daad het werk van mensenvissers te verrichten: het goede nieuws bekend maken dat Gods koninkrijk nabij is en mensen van demonen bevrijden en zieken genezen. En ze doen het met goed gevolg (6,7-13).

Verbazend is dat Jezus uitgerekend in zijn vaderstad Nazareth op onbegrip, ongeloof en afwijzing stuit (6,1-6 - lezing van 14de zondag). De lezer van Mc had kunnen verwachten dat de mensen daar juist fier op hun stadsgenoot zouden zijn en hem met open armen ontvangen. Maar ze stellen zich verwonderde vragen en spreken schandaal van wat hij zegt en doet. Wie denkt hij wel dat hij is, die simpele timmerman? Ze weigeren in hem te geloven. Daar is het de evangelist om te doen: om het geloof dat je moet hebben om te herkennen wie Jezus werkelijk is.

Minder verbazend misschien - maar toch - is wat de evangelist eerder vertelt over Jezus' familie (3,20-35 - lezing van 10de zondag). Ze denken dat hij niet meer bij zijn verstand is. Dat beweren de schriftgeleerden met hun erkend gezag. Hij is bezeten door een machtige demon en daarom kan hij zelf demonen uitdrijven. Als zijn moeder en broers naar hem toe komen, wil hij hen zelfs niet zien. En dan komt de echte verrassing. Mijn echte familie, zegt Jezus tegen zijn toehoorders, dat zijn jullie hier, dat is iedereen die de wil van God doet. Jezus heeft zich een familie verworven die niet steunt op de banden van bloedverwantschap: eerst en vooral de leerlingen die hem vergezellen, en ook iedereen die de wil van God doet zoals hij die verstaat. Hij verstaat die wil anders dan de schriftgeleerden. Voor hen is Gods wil vastgelegd in de gedetailleerde voorschriften van de joodse wet en ze verwijten Jezus en zijn leerlingen dat ze sommige voorschriften overtreden. Maar "voor Jezus heeft de wil van God niet te maken met rituele voorschriften, maar met de manier waarop we omgaan met de andere mensen" (J.-M. Babut, p. 58). Hij heeft het voorgedaan toen hij op een sabbat de verschrompelde hand van een man in de synagoge genas (3,1-5).


4.2. Een rode draad in het verhaal van Jezus en zijn 'nieuwe familie' is het onbegrip en de groeiende vervreemding van zijn dichtste familie, de leerlingen.

Ze begrijpen de gelijkenis van de zaaier niet en vragen Jezus om uitleg (4,10), maar ze blijven met vragen zitten. Ook na zijn uitspraken over reinheid en over echtscheiding geven ze blijk van onbegrip (7,17 - 10,10). Uit 10, 35vv. blijkt dat ze over Gods koninkrijk een andere opvatting hebben dan Jezus. Hij moet hen terechtwijzen.

Ook van de betekenis van de twee broodwonderen hebben de leerlingen niets gesnapt. Na het eerste wonder vraagt Jezus hen naar de overkant van het meer te varen. Ze krijgen met felle tegenwind af te rekenen en Jezus loopt over het water naar hen toe. Maar ze herkennen hem niet, ze menen een spook te zien. De evangelist noteert hierbij: "Ze waren niet tot inzicht gekomen door wat er met de broden was gebeurd, omdat ze hardleers waren" (6,52).

Een zelfde soort 'natuurwonder' wordt vroeger in Mc verteld. Jezus zit met zijn leerlingen in een boot op het meer als er een hevige storm losbarst en de boot dreigt te vergaan. Jezus doet de storm bedaren en verwijt de leerlingen dat ze nog steeds niet geloven (lezing van 12de zondag).

Er zijn exegeten die zeggen dat men de 'natuurwonderen' in de evangelies moet begrijpen als symboolverhalen (parabels). In diepe wateren huizen monsters en kwade geesten, die door Jezus worden bedwongen. 'Vissers van mensen' zou dan de symbolische betekenis hebben van 'mensen bevrijden van demonen', redden uit de verlorenheid.

Hoe het ook zijn mag, anders dan men verwacht, danken en loven de leerlingen hem niet, maar vragen ze zich met grote schrik af wie hij nu eigenlijk is (4,41).

Ook de teneur van het tweede broodwonder ontgaat de leerlingen. Twee keren krijgen ze de verwondering van Jezus hierover te horen. "Begrijpen jullie het dan nog niet?" (8,17.21).


4.2.1. Wie Jezus is eigenlijk is, heeft Petrus gezegd in zijn antwoord op een uitdrukkelijke vraag van zijn meester. Volgens hem is hij de messias. Jezus ontkent dit niet, maar hij hij brengt een belangrijke correctie aan in de voorspelling dat 'de Mensenzoon' veel zal moeten lijden en gedood zal worden, maar uit de dood zal opstaan. Petrus komt daartegen in verzet, maar krijgt een vreselijk harde terechtwijzing te slikken. "Ga terug, achter mij, Satan! Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat mensen willen" (8,33).

Die voorspelling wordt, als een refrein, nog drie keren herhaald. Als aan drie uitverkoren apostelen Jezus' volle identiteit wordt geopenbaard op een hoge berg waar ze in een visioen een stem uit een wolk horen zeggen: "Dit is mijn geliefde Zoon, luister naar hem", zegt Jezus weer dat ze daarover moeten zwijgen en voorspelt hij opnieuw de opstanding van de Mensenzoon uit de dood. De apostelen verstaan dit niet. Ze vragen uitleg en krijgen nog eens de voorspelling over lijden en dood te horen (9,9-13). Even later herhaalt Jezus de voorspelling voor alle leerlingen. Ze begrijpen niet wat hij zegt, maar durven geen vragen stellen (9,30v.)

Het onbegrip komt het scherpst aan het licht bij de derde voorspelling. Jezus is met zijn leerlingen al op weg naar Jeruzalem als hij hen nog eens waarschuwt over wat de Mensenzoon daar te wachten staat. Twee leerlingen lijken alleen het laatste stukje, over de opstanding uit te dood, gehoord te hebben. Ze vragen dat Jezus hun een ereplaats zou geven als hij in zijn glorie zal heersen. Ze worden terechtgewezen en gewaarschuwd: ze zullen dezelfde beker als hij moeten drinken en de doop ondergaan die hij zal ondergaan (10,35-39). Zullen ze daartoe bereid zijn?


4.2.2. Dat iedereen die echt leerling van Jezus wil blijven, bereid moet zijn hem ook zijn weg naar en in het lijden te volgen, lezen we na elke voorspelling. Een leerling van Jezus moet zichzelf verloochenen, zijn eigen kruis op zich nemen en zo achter hem aan komen (8,34). Als iemand de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders dienaar (9,35). Zoals de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen, moet de leerling die de belangrijkste en de eerste wil zijn de anderen dienen (10,43-45).


4.2.3. De blinde Bartimeüs die Jezus even later geneest, heeft het licht van het geloof en wordt echte leerling. Hij "volgde hem op zijn weg" (naar het kruis) (10,52). De andere leerlingen die Jezus tot nu toe zijn gevolgd, blijken nog aan verblindheid te lijden. Op het kritieke moment, als Jezus gearresteerd worden, laten ze hem in de steek en slaan op de vlucht (14,50). Het heeft alles weg van een compleet fiasco, zeker nadat Petrus zijn meester drie keren verraden heeft. Maar voor de evangelist is hun verhaal toch niet af. Hij laat Jezus voorspellen en beloven: "jullie zullen allemaal ten val komen... Maar nadat ik uit de dood ben opgewekt, zal ik jullie voorgaan naar Galilea " (14,27v.).


1 Voor de uitwerking van dit gezichtspunt wordt vooral geput uit het recente boek van Geert Van Oyen (zie de literatuurlijst).

2 Behalve in enkele gevallen wordt voor citaten uit Mc gebruik gemaakt van de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV).


Gebruikte literatuur

Jean Radermakers, La bonne nouvelle de Jésus selon Saint Marc, 2. Lecture continue. Brussel, 1974

Frans Lefevre, Het Marcusevangelie als mysterie van het kruis, in Collationes 1981/1, p. 5-21

Willem Klamer, Het verhaal van een exorcisme: Marcus 7,24-31, in Tijdschr. v. Theologie 1990/2, p.117-145

Peter Schmidt, Woord van God - boek van mensen. Altiora, Averbode, 1990, p. 127-142

Jean-Marc Babut, Actualité de Marc. Ed. du Cerf, Parijs, 2002

Geert Van Oyen, De Marcus code. Averbode, 2005


Terug naar top