Get Adobe Flash player
Get Adobe Flash player

V. De tegenstanders


5.1. De tegenstanders van Jezus met wie de lezers van Mc het eerst kennismaken, zijn onreine geesten of demonen. Hij is nog maar net met zijn verkondiging begonnen als een onreine geest hem uit de mond van een bezeten man toesnauwt. "Ben je gekomen om ons te vernietigen?" Hij stelt die vraag omdat hij weet wie Jezus is: "de heilige van God" (1,24). Jezus zegt dat hij daarover moet zwijgen en toont zijn macht door hem te verdrijven. Opmerkelijk is dat de evangelist de mensen die getuige zijn van de verdrijving van een demon laat reageren met de uitroep "Een nieuwe leer met groot gezag!" (1,27). Exorcismen zijn voor de bezeten personen natuurlijk een bevrijding, maar voor de omstanders zijn ze verkondiging.

Overal in Galilea verdrijft Jezus demonen. Hij bevrijdt in die streek de mensen uit de macht van het kwaad waardoor ze bezeten zijn. Ook een melaatse die hij 'rein maakt', ook met het strenge bevel er aan niemand iets over te zeggen. Maar de man kan niet zwijgen en brengt Jezus in verlegenheid (1,41-45).

Wie preekt over dit verhaal (lezing van de 6de zondag), doet er goed aan het verband met de duiveluitdrijvingen te leggen en aandacht te geven aan het zwijggebod. In het hele verhaal van Mc is dit van essentieel belang. "Het geheim, dat Jezus 'de Zoon van God' is, dreigt voortijdig uit te lekken door de duivels die uit de bezetenen worden verdreven" (F. Lefevre, p. 9).


5.1.1. Een ietwat bizar verhaal is dat over de uitdrijving van een heel legioen onreine geesten in het 'heidense' gebied van de Gerasenen (5,1-20). Anders dan gebruikelijk wordt hier het gedrag van de man die erdoor bezeten is uitvoerig beschreven. Hij leeft buiten de gemeenschap in grafspelonken, tussen de doden. Hij gaat als een razende te keer en de mensen zijn bang van hem, maar hij doet hun geen kwaad. De demonen zijn bang van Jezus. Ze kennen de macht die van hem uitgaat en ze vragen hem dringend dat hij hen niet uit de streek zou verjagen. Laat ons in die kudde varkens (voor joden de onreine dieren bij uitstek) intrekken, vragen ze. Hij staat het hun toe, en de varkens stormen allemaal naar beneden en verdrinken in het meer.

Het verhaal moet dienen om de volle omvang van het 'goede nieuws' te onderstrepen. Ook voor hen die niet tot het uitverkoren joodse volk behoren is Gods koninkrijk nabij en komt er bevrijding uit het kwaad (zie J.-M. Babut, p. 89v.). Maar de inwoners van Gerasa stellen het niet op prijs. Ze kunnen moeilijk blij zijn met het verlies van tweeduizend varkens! Ze dringen er bij Jezus op aan hun streek te verlaten. Dat doet hij. Hij staat de man die hij bevrijd heeft niet toe met hem mee te gaan ('leerling' te worden), maar geeft hem wel een opdracht. Tegen zijn gewoonte in zegt hij dat hij overal moet vertellen wat "de Heer" (God, niet Jezus zelf) voor hem heeft gedaan. "Hij wordt apostel van zijn heidense landstreek" (B. Standaert, p. 88).

Als Jezus nog een keer in 'heidens' gebied komt, hebben ze daar kennelijk al over hem gehoord. Een vrouw vraagt hem haar de demon uit haar bezeten dochter te verdrijven. Eerst weigert hij, maar dan doet hij het toch (zie deel I, 3.1.2.).


5.1.2. Jezus is de demonen altijd en overal de baas, want God staat aan zijn kant. Overal waar hij komt, doet hij het koninkrijk van God voor de mensen die ervoor openstaan nabij komen. Bij Lucas (11, 20) staat het met evenveel woorden. "Als ik dankzij een kracht die van God komt demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God bij jullie gekomen."


5.2. De andere tegenstanders van Jezus zijn de joodse autoriteiten: schriftgeleerden, farizeeën, Herodianen. Ze verschijnen al kort na de eerste duiveluitdrijvingen op het toneel. Jezus zegt tegen een verlamde die bij hem wordt gebracht: "Vriend, uw zonden worden u vergeven". Enkele schriftgeleerden onder het gehoor denken bij zichzelf: als dat geen godslasterlijke taal is! Jezus raadt hun gedachten en geeft een pertinente repliek. Om hun te laten zien "dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven", geneest hij de lamme (2,10v.) Opnieuw eist hij de eer niet voor zichzelf op. Het effect van de genezing is dat allen die er getuige van zijn God loven (2,12).

Verderop in Mc volgt een hele reeks twistgesprekken met de vertegenwoordigers en woordvoerders van het religieuze gezag. De aanleiding is telkens het 'onbehoorlijk' gedrag van Jezus en van zijn leerlingen. Ze plukken korenaren op een sabbat, ze vasten niet zoals de leerlingen van Johannes en van de farizeeën, ze eten zonder eerst hun handen te wassen.

Hier zien we een duidelijk voorbeeld van het feit dat Marcus voor niet-joodse lezers schrijft. Als hij dit verwijt aan het adres van de leerlingen vermeldt, geeft hij omstandig uitleg over de joodse reinheidsvoorschriften.

In de discussies met zijn tegenstanders toont Jezus zich hun meerdere. Telkens zijn zij de verliezers. Soms kaatst hij hun de bal terug met een tegenvraag waar ze geen weg mee weten. Soms geeft hij zelf het antwoord, waartegen ze geen verhaal hebben.

Bijzonder hard gaat het eraan toe als schriftgeleerden de verdachtmaking lanceren dat Jezus bezeten is door de machtige demon Beëlzebul en daarom zelf demonen kan uitdrijven (3,22-30). Dat is niet min! Jezus weerlegt overtuigend hun aantijging. En dan geeft hij hun de volle laag. Alle wandaden en zelfs godslasteringen kunnen de mensen vergeven worden, maar u lastert de heilige Geest en voor zo'n vergrijp bestaat geen vergiffenis. Men begrijpt dat ze hem dit nooit zullen vergeven.

In de polemieken met de joodse religieuze leiders treedt duidelijk aan het licht waar het Jezus om te doen is. Hij betwist hun opvattingen over de joodse wet. Hij zegt dat hun godsbeeld niet klopt. "Hij kijkt anders naar de wereld, de mensen en God" (G. Van Oyen, p. 125). Zijn visie is anders en nieuw. De sabbat is er voor de mens, en niet omgekeerd. Jonge wijn hoort in nieuwe zakken. Zolang bruiloftsgasten de bruidegom bij zich hebben, kunnen ze niet vasten. God is geen God van doden, maar van levenden.

De visie van Jezus betekent een aantasting van de positie en het gezag van zijn tegenstanders. Een onrechtmatige aantasting, want in hun ogen is hij een nieuwlichter, een rebel, en bovenal, hij lastert God. Vandaar dat ze al vroeg de koppen bijeensteken en plannen smeden om hem uit de weg te ruimen (3,6). De evangelist houdt zijn lezers in spanning. Zullen de samenzweerders slagen in hun opzet? Hoe gaan ze het aan boord leggen? De spanning begint te stijgen als Jezus in Jeruzalem is. Nog drie keren kort na elkaar maakt de evangelist gewag van plannen van de hogepriesters en schriftgeleerden. Telkens vermeldt hij daarbij dat ze bleven aarzelen omdat ze vreesden voor de reactie van het volk. Het is wachten op het verraad van Judas. "Hij zon op een mogelijkheid om hem op een geschikt moment uit te leveren" (14,11).

Jezus heeft natuurlijk weet van de plannen van zijn belagers. Dat blijkt alleen al uit zijn herhaalde voorspelling van de dood van 'de Mensenzoon'. Maar hij wijkt niet terug. Hij weet ook dat God aan zijn kant staat. In Jeruzalem gaat hij zelfs frontaal in de aanval. Hij houdt grote schoonmaak in de tempel door de geldwisselaars en de handelaars in duiven weg te jagen. Ze hebben van Gods huis, dat een huis van gebed van gebed moet zijn, voor alle volkeren, een rovershol gemaakt. Hij zet voor zijn toehoorders is de tempel de schriftgeleerden in hun hemd (12,38-41). Hij vertelt de parabel van de boze wijnbouwers die de geliefde zoon van de wijngaardenier doodden. Uitleg is hier niet bij nodig: de hogepriesters en schriftgeleerden "wisten dat hij hen op het oog had". Ze willen hem gevangennemen, maar ze durven niet, uit schrik voor de reactie van de menigte (12,12).

Judas heeft een geschikt moment gevonden om Jezus uit te leveren. Nu kunnen zijn tegenstanders, nog niet zonder de nodige moeite, hun slag thuishalen. Als 'Mensenzoon' moet Jezus het lot ondergaan van iedereen die het slachtoffer is van de machthebbers.


VI. Wonderen


6.1. Omdat we in Mc weinig toespraken van Jezus te lezen krijgen, wordt de aandacht sterker getrokken door de verhalen van zijn wonderen. 'Wonderen' is eigenlijk een niet helemaal correcte vertaling. Voor moderne lezers heeft het woord de betekenis van handelingen of gebeurtenissen die de wetmatigheden van de natuur doorbreken en wijzen op een 'bovennatuurlijk' ingrijpen. In het Grieks staat er in de meeste gevallen 'dunameis' (Latijn: 'virtutes'), letterlijk: 'machtsdaden', die bij hen die er getuige van zijn 'verwondering' wekken. Zie bv. 6,2: 'Vele toehoorders waren stomverbaasd en zeiden: ... en dan die wonderen (machtsdaden) die zijn handen tot stand brengen!" Uit zijn genezingen, duiveluitdrijvingen enz. blijkt dat Jezus over een uitzonderlijke macht beschikt. Maar als hem gevraagd wordt een wonder in onze betekenis van het woord te verrichten, een "teken uit de hemel" als 'bewijs' voor de dingen waar hij aanspraak op maakt, weigert hij categoriek. "Ik verzeker u: aan mensen als u zal zeker geen teken gegeven worden!" (8,11v.). De farizeeën die hem uitdagen door van hem een teken te eisen, lijden aan verblinding. Ze zien niet of willen niet zien dat zijn machtsdaden telkens een teken zijn en begrijpen dan ook hun betekenis niet.


6.2. De eerste genezing waarover de evangelist bericht, vertelt hij uiterst kort, bijna als een fait divers. Jezus komt met zijn vier leerlingen bij Simon en zijn broer aan huis. Ze zeggen hem dat Simons schoonmoeder met koorts in bed ligt. Hij neemt haar hand vast en liet haar opstaan. De koorts is weg en ze bedient haar gasten (1,29-31, onderdeel van de lezing van de 5de zondag). Maar dit is geen fait divers. Het verhaaltje heeft de functie van een samenvatting vooraf van wat de wonderen (machtsdaden) betekenen. Dat blijkt uit twee sleutelwoorden. Jezus doet de vrouw opstaan (hetzelfde woord dat Jezus' verrijzenis uit de dood aangeeft, jammer genoeg niet meer zichtbaar in de NBV). Eenmaal van de koorts bevrijdt, bedient ze haar gasten. Die woorden beschrijven de werking die het evangelie moet uitoefenen op de mensen die erin geloven. Opstaan uit verlorenheid, dienstbaarheid aan medemensen.


6.3. De meeste wonderverhalen staan in een bredere context, waaruit men ze niet mag loshaken. Alleen binnen hun context komt men hun betekenis (de 'boodschap' die ze de lezer meedelen) op het spoor.


6.3.1. Het uitgesponnen verhaal van de genezing van een verlamde man (2,3-12; zie boven, 6,2) moet men lezen in de context die de roeping van Levi, de tolbeambte, vertelt en daarbij aansluitend de repliek van Jezus op het verwijt van de farizeese schriftgeleerden dat hij aan tafel zit met zondaars en tollenaars. "Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars" (2,17). De 'boodschap' van het verhaal van de genezing is het 'goede nieuws' dat God mensen uit kwaad en zonde bevrijdt waar zijn koninkrijk wordt gerealiseerd, en dat ze ertoe komen Jezus te volgen ('leerling' te worden).

Wie over dit wonderverhaal preekt (lezing van 7de zondag), dient zijn toehoorders met de context niet lastig te vallen om hem in de homilie toch tot zijn recht te brengen. Bijvoorbeeld: mensen lijden niet alleen aan verlammingen die een fysieke kwaal zijn. Als ze geloven in de helende kracht van hun gebed, mogen ze hopen op genezing die hen kan bevrijden uit het kwaad waaronder ze gebukt gaan.


6.3.2. Het verhaal van de genezing (reanimatie) van de dochter van Jaïrus (5,21-43, lezing van de 13de zondag) wordt onderbroken door dit van een genezing van een vrouw die leed aan hardnekkig bloedverlies. Ze zijn op twee manieren als één geheel gecomponeerd.

(1) Er is het bijbels symbolisme van het getal 12: de vrouw lijdt al 12 jaar aan haar dodende kwaal: bloedverlies staat gelijk met verlies van het leven, want het bloed werd gezien als de zetel van het leven. Het meisje dat op sterven ligt is 12 jaar oud. Beide zijn ze symbolisch dood.

(2) In de twee gevallen is het geloof het doorslaggevende element. De vrouw is gered door haar geloof. Als het bericht komt dat het meisje is gestorven, zegt Jezus tegen de leider van de synagoge: Wees maar niet bang, blijf geloven.

Jezus blijft volhouden dat het meisje slaapt. Hij stuurt alle mensen die hem uitlachen naar buiten. Alleen de 'gelovers' (de ouders van het meisje en de leerlingen die bij Jezus zijn) gaan met hem de kamer binnen en zien hoe hij het meisje opwekt. Hier zit een gewilde dubbelzinnigheid in het verhaal. Sliep het meisje (medisch uitgedrukt: was ze in coma) of was het gestorven? De evangelist laat het in het midden.

Men kan dit gebeuren lezen als een reanimatieverhaal. Maar J.-P. Charlier (p. 78v.) haalt evidente theologische redenen aan voor zijn bewering dat het (zoals de andere reanimatieverhalen) geen 'echt gebeurd' verhaal kan zijn. De finale bestemming van de mensen ligt in het verheerlijkte leven na hun dood. De personen die Jezus gereanimeerd heeft waren geen zondaars. "Zou het dan zijn taak geweest zijn ze in hun aardse leven terug te roepen om ze over te leveren aan de risico's (op zonde) van dit leven? Dit is meer dan onwaarschijnlijk: het is theologisch vals." De betekenis van zulke verhalen ligt elders. Ze brengen de boodschap van de macht van Jezus over alle vormen van 'slaap', ook over die van mensen die 'ontslapen' zijn; en, voor hen die geloven, uit hun slapende toestand opgewekt worden om verheerlijkt te leven. De reanimatieverhalen, zegt S. Lamberigts (in Tertio 1/09/2004), "zijn eigenlijk paasverhalen, die willen verkondigen wat de verrezen Heer vandaag voor ieder van ons betekent."


6.4. Een zeer bijzonder en belangrijk geval zijn de twee verhalen van een broodwonder. De evangelist heeft ze met elkaar verbonden door een zeer brede context die door exegeten de 'broodsectie' is genoemd. Niet iedereen grenst ze af op dezelfde manier. Meestal trekt men de grenzen van 6,30 tot 8,21, sommigen laten ze doorlopen tot 8,30 (met toevoeging dus van de genezing van de blinde in Betsaïda en de messiasbelijdenis van Petrus. Vergelijkbaar met deze sectie is de lange 'broodrede' in het Johannesevangelie 6,33-66, omkaderd door Jezus' wandeling over het meer en de vraag naar een teken (6,16-33), en de belijdenis van Petrus (6,67-71).

De lezing van de 16de zondag is beperkt tot de inleiding van het eerste broodwonder (6,30-34), eindigend met de beschrijving van de menigte mensen die leken op 'schapen zonder herder'. Dit plaatst een predikant voor een dilemma. Hij kan het thema van de 'goede herder' behandelen, maar dat is ook het thema van de 4de paaszondag (Johannes 10,11-18). Een uitweg kan zijn dat men Jezus' herderschap belicht aan de hand van wat Mc schrijft: "Hij onderwees hen langdurig". Ofwel voegt hij het broodwonderverhaal aan de lezing toe, maar dan moet hij de zondag nadien in herhaling vallen (lezing van Johannes 6,1-15). Hier kan een uitweg dat men de aandacht volledig toespitst op de reactie van de menigte die het 'teken' van het broodwonder niet heeft begrepen.


6.4.1. De draad die de sectie samenbindt (en waaraan ze haar exegetische naam ontleent) zijn de sleutelwoorden 'brood' en zijn afleidingen ('broden', 'spijzen', 'kruimels', 'zuurdesem'). In de sectie komen nog verschillende andere wonderen voor, die dus door de verteller in verband met de broodwonderen in verband worden gebracht en hun betekenis moeten verduidelijken. Er komen ook twee twistgesprekken met farizeeën en schriftgeleerden in voor en een nadere uitleg van Jezus aan de leerlingen over wat hij hun heeft gezegd.


6.4.2. Het verband via de sleutelwoorden beklemtoont verschillende keren dat de leerlingen het teken van de broodwonderen niet begrepen hebben. Ze herkennen Jezus niet als hij over het water van het meer naar hen toe loopt, want "ze waren niet tot inzicht gekomen door wat er met de broden was gebeurd" (6,52). Hun onbegrip wordt gecontrasteerd met de geestdriftige reactie van de mensen op de genezing van een doofstomme. "Zijn jullie dan zo hardleers? Jullie hebben ogen, maar zien niet? Jullie hebben oren, maar horen niet?" (8,17v.)

De leerlingen kunnen niet begrijpen, de farizeeën en schriftgeleerden willen niet begrijpen. Ze eisen van Jezus een teken, ze protesteren tegen het gedrag van de leerlingen die zich bij het eten niet storen aan de reinheidsvoorschriten. Jezus waarschuwt zijn leerlingen voor "de zuurdesem van de farizeeën" en ook die van Herodes (die in Jezus een herrezen Johannes de Doper meent te zien: 6,16). Hoed jullie voor hun slechte invloed! (8,15). Blijkbaar wil de evangelist dat lezer zich afvraagt wat de leerlingen (en hijzelf) dan zouden moeten begrijpen. Hun onbegrip "maakt deel uit van de strategie van de verteller, die de lezer wil laten nadenken over wie Jezus eigenlijk is" (G. Van Oyen, p. 167).


6.4.3. Het verband van het exorcisme bij de dochter van een niet-joodse vrouw met het tweede broodwonder zit in de sleutelwoorden 'brood' en 'kruimels'. De discussie over de joodse reinheidsvoorschriften is er op een zelfde manier mee verbonden. Jezus "verklaarde alle spijzen rein" (7,19). De scheidingsmuren tussen joden en 'heidenen' worden doorbroken (zie deel I, 3.1.3). "Ook de scheidingsmuur die joden en heidenen verhindert aan dezelfde tafel te eten" (B. Standaert, p. 101).


6.4.4. Dat de twee broodwonderen fungeren als symbool van de specifiek christelijke tafelgemeenschap, is onmiddellijk herkenbaar aan de woorden waarmee ze worden beschreven. Het zijn dezelfde als op Jezus' afscheidsmaal met zijn leerlingen. Hij sprak het zegengebed uit, brak het brood, deelde het uit..." (14,22). In de broodwonderen geeft hij de broden aan de leerlingen om ze aan de mensen uit te delen. Het wonder gebeurt door het gebaar van de leerlingen. De grote menigte wordt overvloedig verzadigd. Het teken dat te verstaan (te geloven) wordt gegeven is de feestelijke overvloed (zoals in het Johannesevangelie de overvloedige wijn op de bruiloft te Kana) die zich voordoet als Gods koninkrijk nabij wordt gebracht door de viering van de eucharistische tafelgemeenschap.

Het brood heeft in de wonderverhalen een meerdimensionale betekenis. Samen met tafelgemeenschap betekent het ook het woord Gods van Jezus' verkondiging. Er zijn verschillende aanwijzingen waaruit blijkt dat we 'brood' in die symbolische zin moeten verstaan. 'Brood eten' wil ook zeggen 'Jezus' woord tot zich nemen'. "De twee betekenissen zijn zo complementair dat ze van elkaar niet los te maken zijn: geen enkel broodwonderverhaal zou goed begrepen worden als men ‚‚n interpretatie bevoorrecht ten koste van de andere" J.P. CHARLIER, p. 130).

Nog een dimensie van het teken der wonderverhalen zit in de getallensymboliek, die de leerlingen al evenmin begrijpen (8,20v.). Het eerste verhaal vertelt dat er na de maaltijd van 5.000 mensen 12 manden konden gevuld worden met de overgebleven stukken brood. Voor de twaalf stammen van het joodse volk. In het tweede verhaal, dat zich afspeelt in 'heidens' gebied, gaat het over 4.000 mensen en werden 7 manden gevuld met wat er van het eten overschoot. Er leefden 7 'heidense' naties rond de grenzen van Israël. Het getal 4 symboliseert de 4 dimensies van het universum en 1.000 de totaliteit van alle mensen die er wonen. Jezus sticht een tafelgemeenschap waar alle mensen van de hele wereld bij horen, zoals hij later zal verklaren dat de tempel Gods huis van gebed voor alle volkeren moet zijn (11,17).


6.4.5. Het slot van de broodsectie vertelt de moeizame genezing van een blinde. Jezus moet een tweede keer zijn handen op de ogen van de blinde leggen eer hij alles helder ziet. Het kost tijd en moeite om het onbegrip voor het teken van de wonderen te overwinnen.

Onmiddellijk nadien volgt een keerpunt in het verhaal van Mc. Petrus verklaart dat Jezus de messias, al deinst hij ook nu nog terug voor de ultieme consequenties van wat hij heeft verklaart.


VII. Zoon van God, hoezo?


Als het verhaal van Mc begint, weet de lezer al wie Jezus werkelijk is. Zoon van God. Na het verhaal van Jezus' doop in de Jordaan weet hij dat ook Jezus zelf het weet, en hij verneemt dat ook de demonen het weten. Later verneemt hij dat drie uitverkoren apostelen in een visioen op de hoogte zijn gebracht. Verder is er in de hele vertelde wereld niemand die het weet. Dat Jezus aan de demonen en de apostelen die geïnformeerd uitdrukkelijk vraagt hun mond te houden, wijst erop dat hij wil dat zijn identiteit een geheim blijft, een geheim dat gaandeweg zal opgehelderd worden.


7.1. De evangelist beschrijft hoe allerhande opinies over de identiteit van Jezus de ronde doen. Volgens sommigen is hij Johannes de Doper die uit de dood is opgewekt en daarom "over wonderlijke krachten beschikt", anderen zien in hem de profeet Elia die uit de hemel is weergekeerd, nog anderen zeggen dat hij gewoon een profeet is zoals er nog zijn geweest (6,14v.). De lezer weet dat ze zich allemaal vergissen en moet zich afvragen hoe ze ooit tot inzicht in Jezus' ware identiteit zullen komen.

Het moet iedere lezer opvallen dat Jezus, bijna altijd als hij het over zichzelf heeft, in de derde persoon spreekt over 'de Mensenzoon'. 'Zoon van God' die 'Mensenzoon' is? De oorspronkelijke lezers van Mc die van joodse afkomst waren, hadden weinig moeite met deze termen. Door wat ze wisten uit hun bijbelse traditie konden ze er een vertrouwde inhoud aan geven. Maar de evangelist schreef hoofdzakelijk voor lezers van niet-joodse afkomst die thuis waren in het Romeinse en Griekse gedachtegoed en de twee termen op hun manier verstonden. 'Zoon van God': een mens van goddelijke afkomst, verheven boven gewone stervelingen. 'Mensenzoon': zoals ieder mens een kind van zijn ouders. Hoe rijmt men dat tezamen.


7.2. Voor de evangelist lijkt die verschillende achtergrond van zijn lezers geen grote zorg te zijn. Hoe ze de twee definities ook verstaan, in zijn opzet moet de voortgang van het verhaal hen op dezelfde golflengte en tot het juiste inzicht brengen. Duidelijk daarbij is dat het zijn bedoeling is dat de lezers het perspectief van Jezus op zichzelf in hun begrip van de 'Zoon van God' (Gods perspectief op Jezus) verrekenen (G. Van Oyen, p. 147).


7.2.1. Over de 'Mensenzoon' zegt Jezus dat hij op aarde volmacht heeft om zonden te vergeven (2,10) en dat hij heer en meester over de sabbat is (2,28). Iemand die zich ongehoorde pretenties aanmeet, waardoor hij de gevestigde autoriteiten op stang jaagt.

Verwonderlijk is dan ook niet dat, in het tweede deel van Mc, Jezus als in een herhaald refrein verschillende keren de voorspelling doet dat de 'Mensenzoon' veel zal moeten lijden en ter dood zal worden gebracht. Maar telkens wordt eraan toegevoegd dat uit de dood zal worden opgewekt, en soms dat hij terugkomt om over de geschiedenis te oordelen.


7.2.2. Een knap staaltje van zijn vertelkunst geeft de evangelist in de flashback over de manier waarop Johannes de Doper aan zijn einde is gekomen (6,17-29) die tegelijk een voorafspiegeling blijkt te zijn van het proces van Jezus voor Pilatus (15,1-15) waarop de voorspelling van de dood van de 'Mensenzoon' wordt vervuld (zie B. Standaert, p. 94-96).

Johannes is door Herodes in de gevangenis geworpen, maar de joodse koning wil hem liever niet terechtstellen, want hij heeft grote waardering voor hem gekregen. Jezus is gevangen genomen en wordt voor Pilatus gebracht, maar de Romeinse landvoogd vindt geen redenen om hem ter dood te veroordelen en zou hem het liefst vrijlaten. Herodias, de schoonzus van Herodes met wie hij getrouwd is, wil Johannes zien sterven. De joodse religieuze autoriteiten, die in een scheve verhouding met de landvoogd zitten, zijn uit op de liquidatie van Jezus. Herodias ziet een gunstige gelegenheid voor haar opzet in het feestmaal op de verjaardag van haar man, als haar dochter die komt dansen bij hem erg in de smaak valt. Wat je me ook vraagt, je krijgt het van mij, belooft hij het meisje. De gunstige gelegenheid voor de hogepriesters en hun aanhang is de gewoonte van de landvoogd elk jaar een gevangene vrij te laten op verzoek van het volk. Herodias grijpt de gelegenheid aan en stookt haar dochter op om te vragen dat het hoofd van Johannes op een schotel naar het feestmaal wordt gebracht. De koning durft niet weigeren en tegen zijn zin laat hij de gevangene onthoofden. De landvoogd vraagt aan het volk of hij de 'koning van de joden' kan vrijlaten. Op aanstoken van de hogepriesters eist de menigte dat hij de schurk Barrabas de vrijheid geeft en Jezus laat kruisigen. Hij wil de gunst van het volk niet kwijtspelen en geeft toe. Zonder het te weten of te willen doet hij de voorspelling over de 'Mensenzoon' uitkomen.


7.3. Als aan Jezus bij het verhoor in het joodse sanhedrin gevraagd wordt of hij 'de messias, de zoon van de Gezegende' is, antwoordt hij: 'dat ben ik', maar hij nuanceert dit onmiddellijk door nog eens te spreken, in de derde persoon, over de 'Mensenzoon'. Zolang hij niet gestorven is, blijft er waas van geheimzinnigheid hangen over zijn identiteit als 'Zoon van God'. Het is een die onmiskenbaar door de evangelist ontegensprekelijk is gewild. Hij beklemtoont dat Jezus geheimhouding eist van hen die zijn ware naam kennen. Als Jezus er zijn leerlingen in versluierde termen op wijst dat in zijn identiteit als 'Zoon van God' de lotgevallen van de 'Mensenzoon' besloten liggen, begrijpen ze hem niet of weigeren ze dit te aanvaarden. Hij verbiedt de mensen zijn wonderen bekend te maken, al lukt hij daar meestal niet in. Hij vertelt over het 'geheim van het koninkrijk van God' in gelijkenissen opdat 'zij die buiten blijven staan' niet zouden begrijpen en neemt zijn leerlingen apart om ze in het geheim in te wijden (4,11v.). Maar ze hebben niets begrepen van het belangrijke teken (de parabel) die het tweevoudige broodwonder is.

Dit alles heeft te maken 'thesis' van Mc als 'roman à thèse' die exegeten zijn 'kruistheologie' noemen. (G. Van Oyen spreek over de 'Marcus code', die een 'Golgota-code is.) De auteur wil de lezer doen inzien dat de wonderen van Jezus niet mogen beschouwd worden als prestaties van een wonderdokter en wonderdoener die zijn godheid 'bewijzen'. Zij die een dergelijk teken verlangen, botsen op een besliste weigering.

In de andere synoptische evangelies lezen we dat ze geen ander teken zullen krijgen dan "dat van de profeet Jona" (Mt 12,39 en 16,4; 11,29). Dit is een onverhulde toespeling op de dood en opstanding van de 'Mensenzoon'. Zoals Jona drie dagen en nachten in de buik van een grote vis zat, zal hij drie dagen en nachten in de schoot van de aarde verblijven (Mt 12,40).

De evangelist wil kennelijk zijn lezers waarschuwen. Denk niet te snel dat u echt doorhebt wie Jezus is en wat het betekent hem te volgen. "Wat 'messias' of 'Zoon van God' betekent, wordt pas duidelijk... in het licht van het kruis" (F. Lefevre, p. 10v.). Voordien blijft altijd het risico bestaan dat het mis hebt. "Vóór Jezus zijn weg ten einde is gegaan en verworpen en gekruisigd is,... kan de belijdenis: 'Gij zijt de Zoon Gods' slechts misverstand teweegbrengen" (P. Schmidt, p. 140).

Alle mogelijk misverstand lijkt uitgesloten als de Romeinse centurio onmiddellijk na Jezus' dood verklaart: "werkelijk, deze mens was Gods Zoon" (16,39). Moet men dit verstaan als een christelijke geloofsbelijdenis, die des te krachtiger klinkt omdat ze wordt uitgesproken door een 'heiden'? De evangelist laat het in het midden. In het Grieks van de oorspronkelijke tekst staat er geen lidwoord vóór 'Zoon'. De centurio zou kunnen bedoeld hebben: zoals die man daar sterft, moet hij wel een zoon van God geweest zijn. De Willbrordvertaling schrijft: de zoon van God. Het is aan de lezer om te beslissen. Voor iedereen die Mc tot aan dit einde heeft gelezen is het uur van de waarheid aangebroken. Hij heeft het laatste woord, en door zijn beslissing beslist hij over de manier waarop hij zijn eigen wil leiden.


VIII. Open einde


Maar de evangelist is nog niet uitgesproken. Dat kan ook niet, zal men zeggen, want er is nog de vraag hoe het zit met de herhaalde voorspelling dat de gestorven 'Mensenzoon' uit de dood zal opstaan. De andere evangelisten gaan daar uitvoerig op in. In Mc gebeurt dit ook, maar in de vorm van een latere toevoeging aan het oorspronkelijk slot (16,8). In zijn eigen, oorspronkelijke epiloog houdt de evangelist het uiterst sober. Niets over verschijningen van de uit de dood opgewekte Jezus, alleen van een in het wit geklede jongeman. Hij zegt aan de vrouwen die naar het graf zijn gekomen dat Jezus niet meer te vinden is waar hij was neergelegd. Het graf is leeg omdat hij uit de dood is opgewekt. Hij draagt hen op dit aan zijn leerlingen zeggen. Als ze naar Galilea gaan, zullen ze hem daar zien. De vrouwen vluchten verschrikt weg en zeggen er niemand iets van.

In dit abrupte einde zit voor de lezers van Mc de ultieme interpellatie. Het verhaal is niet af, zij moeten het voltooien (G. Van Oyen,  p. 197). Vertelt u het voort? Dan gelooft u erin, het interpelleert andere mensen en krijgt het zijn voltooiing, altijd opnieuw, doordat u en anderen er het verhaal van hun eigen leven van maken.

__________________


Gebruikte literatuur

Frans Lefevre, Het Marcusevangelie als mysterie van het kruis, in Collationes 1981/1, p. 5-21

Benoît Standaert, Marcus: geweld en genade. De actualiteit van het Marcusevangelie. Lannoo, Tielt, 1985

J. P. Charlier, Signes et prodiges. Les miracles dans l'Evangile (Lire la Bible 79). Parijs, Cerf, 1987

Peter Schmidt, Woord van God - boek van mensen. Altiora, Averbode, 1990, p. 127-142

Jean-Marc Babut, Actualité de Marc. Ed. du Cerf, Parijs, 2002

Geert Van Oyen, De Marcus code. Averbode, 2005

Terug naar top