Get Adobe Flash player
Get Adobe Flash player

Dominicus Guzman werd in 1170 geboren in het Spaanse Caraluega, gelegen in de provincie Burgos, niet al te ver van Silos. Vandaar dat sommigen ook spreken over ‘Dominicus van Caraluega’. Hoewel de juiste geboortedatum van Dominicus niet echt gekend is, beweren sommige documenten dat hij op 24 juni het levenslicht zag. Zijn vader heette Felix de Guzman, zijn moeder was de zalige Juana van Aza. Geboren in 1170 betekent dat Dominicus een tijdgenoot is van Franciscus van Assisi.

Hij studeerde in het Spaanse Palencia en werd in 1199 kanunnik van het kapittel van de kathedraal van Osma. Gedurende zes jaar verdiepte Dominicus zich in het gemeenschapsleven naar de regel van St.-Augustinus. In 1201 werd Dominicus er sub-prior en medewerker van de bisschop van Osma: Diego van Azevedo.


Kathedraal van Osma.


In die hoedanigheid werd hij – samen met de bisschop – door koning Alfonso IX van Castilië tot twee maal toe uitgezonden naar Denemarken om er de prinses te gaan halen die was voorbestemd voor de koningszoon. Het was tijdens deze reizen dat Dominicus in 1203 en een tweede keer in 1205 in contact kwam met de Katharen in de Zuid-Franse Languedoc.


Het 'Katharenland' in de Languedoc.


Tijdens hun doorreis in Toulouse ging Dominicus een ganse nacht de discussie aan met zijn gastheer die tot de Katharen behoorde. Tegen de ochtend bekeerde deze man zich tot het katholieke geloof. Dominicus had zijn ware roeping als verkondiger van de Goede en Blijde Boodschap gevonden. Die Boodschap, het Evangelie, werd voor Dominicus de enige ‘waarheid’, ‘Veritas’ in het Latijn. ‘Waarheid’ niet als een vaststaande regel of dogma, maar als een ‘evoluerende waarheid’, een ‘waarheid in beweging’, een waarheid’ die beantwoord aan haar tijd.

Ook bisschop Diego van Azevedo voelde zich tot de verkondigingstaak geroepen. Op zijn vraag werd hij in 1206 door paus Innocentius III dan ook van zijn bisschopstaak ontheven om samen met Dominicus de Cisterciënzers te gaan bijstaan in hun bekeringstaak van de Katharen in de Languedoc. Samen vertrokken ze zoals het evangelie het vertelt: twee aan twee, zonder reiszak, zonder beurs.


Het was in juni 1206 dat Dominicus en Diego, Carcassonne, Montréal en Fanjeaux aandeden.

Eind 1206 sloten enkele bekeerde Katharenvrouwen en enkele ‘vrouwen van aanzien’ zich bij Dominicus en Diego aan.


Carcassonne.


Maart 1207 is een belangrijk moment. In Montréal wordt een grote theologische discussieronde opgezet. Dominicus die gedurende maanden heen en weer had getrokken tussen Toulouse en Carcassonne, neemt eraan deel.

Deze openbare disputen met de belangrijkste vertegen-woordigers van de katharen duurden soms dagenlang. Het waren vaak pareltjes van welsprekendheid en bijbelexegese en ze genoten veelal een enorme belangstelling zowel van de - meestal kathaarse - feodale heren en adellijke dames uit de streek, als van de gewone dorpelingen en burgers. Honderden toehoorders worden vermeld. Elke partij, de katholieke en de kathaarse, zette haar standpunt met de nodige argumenten en overtuigingskracht uiteen en daarna was het tijd voor discussie, debat en dialoog waarna een vooraf samengestelde jury moest uitmaken welke partij uiteindelijk ‘gewonnen had’ - iets wat nogal eens onbeslist bleef aangezien de juryleden vaak geen standpunt durfden innemen tegenover de kathaarse, feodale heren, terwijl de gewone massa al lang voor de katholieke argumentatie was gevallen.

Kasteel van Montréal


Het meest ophefmakende dispuut vond dus plaats in Montréal, nabij Carcassonne, in april 1207.

Het begon in de grote zaal van het kasteel maar werd al gauw verdergezet op het buitenplein vanwege het grote aantal toehoorders. Veertien dagen zou de discussie duren. Na afloop bekeerden 500 katharen zich opnieuw tot het katholieke geloof.


Dispuut tussen Dominicus en de Katharen.


Zoals Dominicus al lang wist, beseften heel wat katholieke ook nu dat de kracht van de verkondiging misschien wel de enige weg was de Katharen tot bekering te brengen.

Na afloop verdelen ze het bekeringswerk en het uitgestrekte grondgebied. Dominicus trekt naar Prouille, vlak bij Fanjeaux. 1207 is trouwens ook het jaar dat zijn compagnon Diego sterft. Dominicus staat er alleen voor.


In 1214 wordt Dominicus pastoor van Fanjeaux. Al die tijd trok hij van dorp naar dorp om er als prediker de Blijde Boodschap te verkondigen en ‘afgedwaalde’ weer op de weg van Christus te brengen.


Fanjeaux.


Pas in april 2015 sluiten twee mannen zich bij Dominicus aan en willen in zijn handen hun religieuze belofte afleggen.

De allereerste kleine ‘Dominicaanse’ gemeenschap is geboren. Met de toestemming van de bisschop nemen de drie hun intrek in het huis van Pierre Seilhan – één van de twee ‘broeders’ –  te Toulouse.


Op het Vierde Lateraans Concilie van 1215 waren prediking en zielzorg trouwens al genoemd als belangrijke priesterlijke taken die in die tijd van priesters onvoldoende aandacht kregen. Dominicus Guzman zag in zijn initiatief dus wel toekomst.


21 januari 1217 mocht Dominicus van paus Honorius III de bul ‘Gratiarum omnium largitori’ in ontvangst nemen. Met dit document is de Dominicanenorde, de 'Ordo Preadicatorum' een feit.


Dominicus ontvangt van paus Honorius III

de bul ‘Gratiarum omnium largitori’.


Na het kapittel van 1221, bij het begin van de zomer, wordt Dominicus ziek en brengt men hem van Rome – waar hij dat jaar ook nog een klooster voor Dominicanessen had gesticht – naar Bologna. Omringt door zijn medebroeders zal hij daar op 6 augustus sterven.

Het is kardinaal Hugolin die de begrafenisviering voorgaat. Kardinaal Hugolin is de latere paus Gregorius IX die in 1234 Dominicus heilig heeft verklaard.