Get Adobe Flash player
Get Adobe Flash player

Laten we even teruggaan naar het Franse Orléans van 1022.

Twee clerici en elf van hun volgelingen worden er op de brandstapel gezet. De beschuldiging: ketterij.

Ze verwierpen de sacramenten, de dogma’s van de Heilige Drievuldigheid en van de menswording van Christus en geloven niet in de verlossing.

Vijf eeuwen nadat ze definitief afrekende met het Arianisme (begin 4de eeuw) heeft de roomse kerk opnieuw te maken met echte ketters. De brandstapel in Orléans zou nog maar het begin zijn...

Op een aantal plaatsen verschijnen 'predikers' en daar zijn vreemde vogels bij, mannen gekleed in lompen, met een woest uiterlijk, die de bevolking opjutten en in opstand doen komen tegen de praalzuchtige en inhalige geestelijkheid. Zij willen terug naar de échte waarden van het christendom en verwerpen de katholieke sacramenten en dogma’s. De meeste dogma’s werden aangenomen op concilies en hebben weinig te maken met de boodschap van Christus maar alles met invloed en macht. De geloofsbelijdenis van Nicea, verplichte kost voor iedere katholiek, berooft de christenen van elke persoonlijke inbreng binnen het geloof en maakt vooral de Kerk oppermachtig.

Deze 'predikers' zijn niet echt populair bij de clerus. Onder hen namen zoals Ramihrd en Tanchelm in Vlaanderen, Henri de Lausanne in Bordeaux en Toulouse, Robert d‘Arbrissel in Bretagne en Anjou. De bisschop van Rennes beschrijft hem en zijn volgelingen als volgt: “gekleed in beestenvellen, blootsvoets, met wilde ogen en verwarde haren, slechts een knots ontbreekt om de uitrusting van een waanzinnige te vervolledigen, en achter hem een smerige troep dieven en hoeren die zich over het platteland verspreiden en beschuldigingen aan de clerus uiten die niet bedoeld zijn om te prediken maar om te ondermijnen...” Diezelfde Robert d’Arbrissel zal later de invloedrijke orde van Fontevrault stichten...

Naast de individuele 'predikers' ontstaan ook meer gestructureerde gemeenschappen met een eigen hiërarchie en een eigen, soms gnostisch geïnspireerde leer. De bisschoppen weten eerst niet goed wat te beginnen tegen deze nieuwe bewegingen. Ze schrijven angstige brieven naar de paus en naar mekaar; naar de landheren en naar de koning. Aanvankelijk zijn het vooral de machthebbers en de bevolking die ingrijpen, soms zelfs tegen de wil van de bisschoppen. Zo is de brandstapel van Orléans het werk van de Franse koning.

Enkele pausen, waaronder Gregorius VII, trachten het tij te keren door ingrijpende structurele hervormingen door te voeren. Die remmen het succes van de ketterse bewegingen even af maar slagen er niet in ze uit te schakelen, daarvoor is de onmiddellijke impact van de hervormingen op het terrein te beperkt.

Het gevolg is dat de kerk harder gaat optreden mét de steun van de wereldlijke heersers. Uit de documenten waarin sprake is van vervolgingen blijkt hoe ruim verspreid de ketterse beweging is: de Champagne-streek, het Rijnland, Vlaanderen, veroordelingen en/of brandstapels in Arras, Utrecht, Châlons, Soissons, Milaan, enz... Steeds lijkt het te gaan om onafhankelijke geïsoleerde gemeenschappen zonder dat er sprake is van een overkoepelend gezag.


Niet alleen de roomse kerk krijgt met ketterij te maken, de Byzantijnse kerk heeft gelijkaardige problemen. Omstreeks het jaar 950 lezen we in de geschriften van de Bulgaarse aartsbisschop Cosmas dat dringend moet opgetreden worden tegen een zekere Bogomil en zijn volgelingen de 'Bogomielen', die een ketterse manicheïsche leer aanhangen. Die beweging situeert zich in het huidige Macedonië (toen een deel van Bulgarije). De ‘bogo-mielen’ zouden beweren dat niet God maar de duivel de wereld heeft geschapen, verwerpen de eucharistie (ze geloven niet in de aanwezigheid van Christus in de hostie) en het kruis. De sacramenten, zoals doopsel en huwelijk, zijn voor hen waardeloos. Kinderen laten dopen die daar zelf niet om gevraagd hebben en die er bovendien de zin nog niet van begrijpen vinden zij onaanvaardbaar. Er is sprake van slechts één sacrament, dat van de handoplegging, waarbij de ‘gelovige’ overgaat naar de rang van ‘uitverkorene’.

De gelijkenis met de latere katharen is onmiskenbaar. Bogomil betekent trouwens ‘vriend van God’, een benaming die ook de katharen zichzelf gaven (église des amis de Dieu). Vanaf de 10de eeuw worden dus zowel de roomse als de oosters-orthodoxe kerken met de opkomst van een nieuwe ketterse dualistische leer geconfronteerd.



Tombe van Bogomielen in Bosnië.