Get Adobe Flash player
Get Adobe Flash player

Consolament Ensemble - 'Oh Dios de Amor'


Voor de katharen zijn alle zielen gelijkwaardig, het uiterlijke verschil wordt alleen gemaakt door het stoffelijke lichaam, een verschil dat totaal onbelangrijk is. Mannen en vrouwen zijn gelijk, een bon homme heeft dezelfde rechten en plichten als een bonne femme, beiden kunnen prediken en voorgaan bij religieuze bijeenkomsten. In de rooms-katholieke kerk is zoiets zelfs vandaag nog volstrekt ondenkbaar, laat staan in de middeleeuwen. Toch waren er nooit vrouwelijke diakens of bisschoppen en zijn er weinig getuigenissen over predikende bonnes femmes maar misschien heeft dat ook te maken met de fysieke vereisten van die functies. Voortdurend rondreizen was voor vrouwen in de middeleeuwen niet evident.


Hoe word je een ‘goed christen’? Daarvoor moet je (na een noviciaat) het consolament ontvangen, het enige sacrament dat de katharen kennen. Na het consolament moet je leven volgens strenge voorschriften, je moet eigenlijk een regel volgen zoals die ook bij de katholieke kloosterordes bestaat, je moet huis en familie verlaten, geen seksuele betrekkingen hebben, geen voedsel eten dat uit seksuele betrekkingen voortkomt, geen vlees, geen zuivelproducten (de katharen aten wel vis, men dacht toen dat die spontaan in het water groeide...), je mag geen persoonlijke bezittingen hebben, je moet leven van handenarbeid (bedelen is verboden), je mag geen mensen of dieren schade berokkenen of doden en je mag geen eden zweren.


Verder wordt er van je verwacht dat je de kathaarse boodschap uitdraagt en die wijkt op een aantal punten nogal af van de rooms-katholieke. Zoals de gnostici zijn de katharen dualisten, ze gaan ervan uit dat er twee principes bestaan, je zou het ook twee scheppingen kunnen noemen, met een verschillende oorsprong: de goede geestelijke schepping en de slechte stoffelijke schepping. God is oneindig goed en wie oneindig goed is kan geen slechte dingen doen. Dus kan God niet verantwoor-delijk zijn voor het kwade in deze wereld. De ziel behoort tot de ‘goede’ schepping maar bij de val van de engelen zijn een aantal van hen in handen gevallen van het kwade (Satan, de duivel, de demiurg, Rex Mundi,...) en opgesloten in een stoffelijk lichaam dat deel is van de ‘slechte’ schepping.


De ziel is dus van oorsprong goed, want van goddelijke afkomst, maar ze is dat in de loop der tijden ‘vergeten’. Om ze daaraan te herinneren heeft God uit mededogen Jezus Christus naar de aarde gestuurd. Die kwam als boodschapper, niet als verlosser.

Christus was geen mens maar een geestelijk wezen, noem het een engel (alles wat van God komt kan alleen maar geestelijk zijn), die slechts de gedaante van een mens had aangenomen. Voor de katharen was het volstrekt ondenkbaar dat God, die oneindig goed was, zijn eigen zoon naar de aarde zou sturen om door zijn lijden en dood de mensen te verlossen van een niet bestaande erfzonde. Het kruis is dus geen symbool van de verlossing maar een verwerpelijk martelwerktuig waarmee gepoogd werd de missie van Christus te saboteren.

Ook de eucharistie wordt door de katharen verworpen. Zij kennen wel de zegening van het brood bij het begin van de maaltijd (als herinnering aan de missie van Christus), maar ze verwerpen zonder meer het idee van de transsubstantiatie waarbij Christus zou aanwezig zijn in de hostie. Het is voor hen ondenkbaar dat God zich in zoiets laags en stoffelijks als een stuk brood zou manifesteren.


De ziel moet zich bewust worden van haar toestand, zodat zij aan de slechte wereld kan ontsnappen. Dat kan alleen door het enige sacrament dat de kathaarse kerk kent: het consolament, waardoor een kathaarse gelovige een ‘goed christen’ wordt. Wanneer iemand overlijdt die het consolament niet ontvangen heeft, kan diens ziel dus niet naar God terugkeren en komt ze in een nieuw lichaam terecht. Dat kan dat van een mens zijn maar ook van een dier (voor wie niet goed en oprecht geleefd heeft). De katharen geloofden dus in reïncarnatie, al moeten we hier aan toevoegen dat over dit aspect van de kathaarse religie niet zoveel bronnen te vinden zijn en er onder historici nog vurig over gediscussieerd wordt. Waarschijnlijk was reïncarnatie geen echt ‘dogma’, maar gewoon een logische consequentie van hun geloof.


Deze leer, waarbij de principes van goed en kwaad altijd naast mekaar bestaan hebben, wordt ook het ‘absolute dualisme’ genoemd, het was de leer van de katharen uit de Languedoc. Daarnaast is er ook een ‘gematigd dualisme’ waarbij het ‘slechte principe’, de duivel, eigenlijk een engel was die zich uit eigen ambitie en uit eigen vrije wil met God wilde meten, daardoor ten val kwam en naar de aarde werd verbannen. Bij het absolute dualisme is er van die vrije wil geen sprake. Dat zgn. gematigd dualisme vinden we terug bij de bogomielen en bij de meeste kathaarse gemeenschappen in Italië. Het duikt ook sporadisch op in de Languedoc tijdens de laatste jaren van de vervolging wanneer de weinige bons hommes die er nog zijn bijna allemaal hun opleiding in Italië gekregen hebben.


Het is ook niet zo dat elke kathaarse gemeenschap tot een van de twee bovengenoemde strekkingen behoorde. Er bestonden nog heel wat tussenvormen. Vermits elke kathaarse gemeen-schap onafhankelijk opereerde, waren er, naast gemeenschap-pelijke kenmerken, soms opvallende theologische verschillen. Een aantal historici spreken daarom vandaag niet meer over ‘het katharisme’, maar over ‘de katharismen’. Wordt ongetwijfeld vervolgd...


Er is nog een andere reden waarom we voorzichtig moeten zijn met onze interpretatie van het kathaarse dualisme. Het grootste deel van de informatie waarover we beschikken komt uit verhoren en getuigenissen voor de Inquisitie. De inquisiteurs wilden vooral bekentenissen lospeuteren en werkten daarom meestal met standaardvragen, ze werkten gewoon hun lijstje af. Die vragen waren vooral toegespitst op de verschillen tussen de rooms-katholieke en de ketterse leer. Een aantal aspecten van de kathaarse religie, die voor de Inquisitie niet ‘ketters’ genoeg waren, kwamen zo veel minder aan bod.